Indianen in de grote greep

De kolonisatie van het Noord-Amerikaanse continent blijkt niet overal een duurzaam succes. Op grote delen van de `Great Plains', de voortrollende grasvlaktes tussen de Mississippi en de Rocky Mountains, is het aantal bewoners gedaald tot dat van de negentiende-eeuwse frontier: zes per vierkante mijl. Kleine boeren gaan failliet, de jeugd trekt weg, en de enige populaties die juist weer groeien zijn bizons en indianen, de oorspronkelijke bewoners. Het is een ironie die welbesteed zal zijn aan de historicus Colin G. Calloway, die in One Vast Winter Count de veerkracht van de indiaanse culturen onderstreept.

Calloway heeft voor een breed publiek een geschiedenis geschreven van het inheemse Amerikaanse Westen vóór de negentiende eeuw. Allereerst om duidelijk te maken dat die lange `winterkroniek' (een indiaanse, pictografische geschiedschrijving) niet pas begon met `het Wilde Westen'. Dat is hem gelukt, al gaat zijn relaas gebukt onder dezelfde bezwaren het ademloze tempo, de soms te brede penseelstreken als andere monografieën die de Amerikaanse inheemse geschiedenis in één grote greep behandelen – zie bijvoorbeeld ook The Earth Shall Weep van James Wilson (besproken in Boeken, 20.08.99).

Een tweede oogmerk van Calloway is de lezer ervan te doordringen dat die lange periode vóór de negentiende eeuw ook echt een `geschiedenis' was, en geen statische prehistorie. De indianen die Noord-Amerika bevolkten (vijf tot twaalf miljoen in 1492 – door ziekte, geweld en cultuurshock gedecimeerd tot ongeveer 250.000 in 1900) waren geen in de tijd bevroren `natuurvolkeren'. Ze vertoonden een grote culturele variatie – van bewoners van gestapelde `appartementen' en landbouwnederzettingen tot nomadische jagers- en verzamelaarsgroepen – en een dynamische historiche ontwikkeling. Indiaanse groepen speelden een grote rol in de Frans-Engelse koloniale oorlogen op het continent. Sommige van de bekendste culturen, zoals die van de prairie-indianen, waren pure creaties van de handelsnetwerken met Spaanse en Noord-Europese immigranten.

Calloway kent alle goede wetenschappelijke bronnen om bijvoorbeeld te laten zien hoe die `typische' cultuur van de prairie-indianen werd gevormd door de handel in paarden (vanuit het Spaanse zuiden) en wapens (vanuit het Frans-Engelse noordoosten). Waar die twee handelskringen elkaar overlapten ontstond – pas vrij laat, eind achttiende eeuw – de gewapende ruitercultuur die we kennen uit de populaire cultuur. Concurrentie om handelsroutes en ruilgoederen was ook een belangrijke bron van conflicten tussen indiaanse groepen, en had ingrijpende culturele gevolgen. Zo namen de verschillen in status en ongelijkheid toe en werden ook vrouwen steeds meer ingeschakeld in de huidenindustrie.

One Vast Winter Count is toegankelijk geschreven en wetenschappelijk goed bij de tijd. Het boek verdient een vertaling. Jammer is alleen dat Calloway aan het slot de lezer alsnog trakteert op een preek over de vergankelijkheid van grote culturen, ja, ook van de huidige modern-Amerikaanse. Die vrome relativering kun je best missen, na dit brede inheemse panorama.

Colin G. Calloway: One Vast Winter Count. The Native American West Before Lewis and Clark. University of Nebraska Press, 640 blz. €46,74