Ik heb Jezus vergeven

Na zeven jaar is Morrissey terug met een nieuwe, goede plaat. De ex-zanger van The Smiths is in Engeland een held, nu meer dan ooit.

Macho dickhead.

Tasteless wanker.

Fucking bastard Thatcher.

The royal family.

Loneliness.

Greed.

Vuile verwensingen, smerige beledigingen en de namen van favoriete haatobjecten als het Britse koningshuis en Margaret Thatcher – een verwrongen vrouwenstem op een bandopname dreunt de ellendige lijst minutenlang op, om het publiek in de juiste stemming te brengen. Na die venijnige, duistere litanie flitsen plotseling kolossale letters achter het podium rood op, die de naam van de artiest spellen. Dan komt hij zelf tevoorschijn, met overdreven buigingen naar alle hoeken van de zaal, stoere poses zoals je die van een popster verwacht, maar zo gestileerd dat het wel ballet lijkt.

Alleen Morrissey, de zanger die ooit het ontheemde levensgevoel van de jaren tachtig hartverscheurend vertolkte, kan een concert zo beginnen.

Hij is onlangs vijfenveertig geworden, is een kilo of wat te zwaar, de kuif staat nog fier overeind (maar met grijze plukken aan de slapen), en hij gaat gekleed in een duur jasje en overhemd met pantalon. De vogelverschrikker van de geen-toekomst-generatie is nu every inch a gentleman. Op één detail na: voor zijn kruis bungelt een paarse veer. Pas tijdens het derde nummer werpt hij de veer met een sierlijke zwiep in het publiek.

Morrissey is in de mode. En dat doet hem goed, al kan hij het niet nalaten om er tijdens dit concert, afgelopen vrijdag op het Londense Meltdown-festival, een koket grapje over te maken: `Ik hoorde dat ik the talk of the town ben. Helaas was de town in kwestie Sutherland.' Zijn nieuwe single `Irish Blood, English Heart' steeg hoog in de Engelse hitparade, hoger dan hij ooit kwam met The Smiths, de legendarische groep waarmee hij in de jaren tachtig een voorman van een generatie werd. Zijn nieuwe album You Are The Quarry, zijn eerste plaat in zeven jaar, doet het even goed. Nog belangrijker: de plaat is ook goed. Zijn zang in ballades als `I Have Forgiven Jezus' en `Let Me Kiss You' is schitterend, voluit en melodieus als een ware crooner. Ze bevatten het soort theatrale en gekwelde Morrissey-regels (`I have forgiven you, Jezus/ for all of the love you placed in me/ when there's nowhere I can turn to with this love'), dat hem in zijn hoogtijdagen met The Smiths typeerde.

Jonge bands noemen zijn naam weer met ontzag. Franz Ferdinand, de hipste band van het moment, onderbrak een wereldtournee voor een ontmoeting met Morrissey voor het muziekblad NME. The Libertines, de op één-na-hipste band van het moment, speelden in zijn voorprogramma. Zanger Pete Doherty bekende dat hij een traantje heeft weggepinkt toen hij zijn held voor het eerst ontmoette. De nog-niet-zo-hippe band The Ordinary Boys heeft zich vernoemd naar een van zijn nummers.

Dat is wel eens anders geweest. Morrissey heeft duidelijk een grote invloed gehad op de britpop-explosie midden jaren negentig met groepen als Pulp, Blur en Oasis. Hij maakte het Britse levensgevoel weer tot thema van popmuziek – en werd daarom verketterd door de progressieve, anti-nationalistische muziekpers. Later volgden Blur en Pulp met ironische, maar daarom niet minder uitbundige lofzangen op Britishness. Noel Gallagher, de oudste van de twee Oasis-broers, liet zijn gitaar beschilderen in de kleuren van de Britse vlag.

Maar Morrisseys schaduw was nog te lang om hem veel krediet te kunnen geven. Nu keert hij na een lange rustperiode terug als de oudere staatsman van de Britse pop en behoren oedipale conflicten en de neiging tot vadermoord tot het verleden. En er speelt nog iets mee. Ook in Engeland heeft het Idols-virus toegeslagen (`lockjawed popstars, thicker than pigshit', zingt Morrissey in het nieuwe nummer `The World is Full of Crashing Bores'). De tijd is rijp voor een eigenzinnig, dwars tegengeluid. Dat kun je op z'n minst hopen.

Tweedehands vodden

The Smiths waren de perfecte popgroep voor de ellendige jaren tachtig. De naam (een Engels equivalent van `de Jansens') was bedoeld als commentaar op de gezochte glamour van `nieuwe romantici' als Duran Duran en Spandau Ballet. The Smiths kleedden zich in tweedehands vodden die vage associaties met de jaren vijftig opriepen, maar liepen ook rond – vreemd voor een anti-hippietijd – met bloemen en kralenkettingen. Ze waren `nostalgisch' op een manier die vooral jonge mensen aanspreekt die nog niks hebben meegemaakt – en die dus geen reden hebben voor nostalgie. Tegelijk was de gitaarpop van The Smiths confrontrerend en agressief. Morrissey zong over een herkenbare wereld voor wie opgroeide in de sombere jaren tachtig: chronische melancholie, wrange humor, seksuele verwarring, slechte herinneringen aan het afstompende onderwijs in Manchester. De groep maakte twee klassieke platen: Meat is Murder (1984) en The Queen is Dead (1986).

The Smiths maakten de jaren tachtig enigszins draaglijk. En hun muziek overleefde het tijdperk. Nog altijd staat de groep symbool voor onbeschaamde gevoelens van eenzaamheid en vervreemding, die de meeste mensen het heftigst voelen in de puberteit. Een van de heldinnen van de filmhuishit Fucking Amal, over twee meisjes die proberen te ontsnappen uit de benauwenis van een Zweeds provinciestadje, heeft een poster van Morrissey aan de muur hangen. Douglas Coupland noemde zijn apocalyptische roman Girlfriend In A Coma naar een nummer van The Smiths.

Terug naar de Royal Festival Hall in Londen. Nog voordat hij een noot heeft gezongen, barst het publiek uit in spreekkoren: `Mor-ris-sey, Mor-ris-sey...' Maar de zanger maakt het zijn fans niet gemakkelijk. Hij speelt zijn hele nieuwe plaat, en als hij dan eindelijk een greep doet uit het verleden, kiest hij voor minder bekende nummers. Pas in de toegift mogen de fans meebrullen met een echte hit van The Smiths: `There Is a Light That Never Goes Out' met de onsterfelijke jaren-tachtig-regels: `If a double decker bus, kills the both of us,/ to die by your side, is such a heavenly way to die.'

Bezweet overhemd

De herrezen popster oogt ontspannen, kletst tussen de nummers door met het publiek, en verontschuldigt zich voor het feit dat hij zijn bezwete overhemd moet verwisselen (`Anders riskeer ik een vreselijke verkoudheid'). Hij heeft ook reden om er een feestje van te maken. Zijn concert is de opening van het zogenaamde Meltdown-festival bij het South Bank Centre, een cultureel centrum dat veel wegheeft van de Rotterdamse Doelen. Morrissey is `gast-directeur' van het festival. Een grote eer, waarin onder meer David Bowie, Nick Cave en Elvis Costello hem voorgingen. Veel van Morrisseys jeugdhelden en inspiratiebronnen zullen dit jaar dan ook de revue passeren. Sparks, de anti-popgroep van de broers Ron en Russel Mael, gaf een prachtig concert. De drie nog levende leden van de invloedrijke New York Dolls kwamen voor de gelegenheid (en voor het eerst) nog een keer bij elkaar. Nancy Sinatra, Morrisseys buurvrouw in zijn woonplaats Los Angeles, treedt op. Jane Birkin, nog zo'n vrouwelijk popicoon van de jaren zestig, voert de songs van Serge Gainsbourgh uit. En er is een avond met schrijver Alan Benett, wiens toneelstuk The History Boys net in première is gegaan. Morrissey zei dat hij met een gerust hart met pensioen kon gaan, nadat hij een kopje thee met Benett had mogen drinken.

Elvis Costello heeft ooit gezegd dat alle grote popartiesten ook grote fans zijn. Morrissey is dat op het extreme af: de superfan die zelf een ster werd. Vorig jaar stelde hij al een cd samen met zijn favoriete popmuziek onder the titel Under the Influence. In het bijbehorende boekje schrijft hij: `In het Manchester van de vroege jaren zeventig werd de monotone, deprimerende ellende van alledag verzacht door muziek. Mijn jonge leven bestaat uit hoge muren met glasscherven erop, alleen verlicht door goedkoop opgenomen herrie.'

Steven Patrick Morrissey is de zoon van Ierse migranten. Zijn ouders hebben geen goed huwelijk en scheiden als hij zeventien is. Na een moeilijke schooltijd is hij vijf jaar werkloos. Hij vult zijn dagen met popmuziek en het schrijven van brieven aan de landelijke muziekbladen (`De grootste crisis in mijn leven kwam toen de postzegels duurder werden.') De eerste keer dat hij de NME haalt, is in juni 1974 met een brief over Sparks: `Vandaag heb ik het album van het jaar gekocht. Ik heb het gevoel dat ik dat kan zeggen zonder verschillende brieven te hoeven verwachten die zeggen dat ik uit mijn nek klets. Het album is Kimono my House van Sparks.' Hij is een poosje voorzitter van de fanclub van The New York Dolls en publiceert twee boekjes bij een plaatselijke uitgever, die nooit zijn herdrukt: een fotoboek over de Dolls en James Dean is Not Dead. Over de eerste keer dat hij de extravagante New York Dolls in hun vrouwenkleren op televisie zag: ,,Ik was dertien en dit was mijn eerste emotionele ervaring.''

Hij wil zelf muziek maken en punk geeft hem de overtuiging dat je daarvoor niet iets specifieks hoeft te kunnen. Toch lopen kortstondige pogingen om de drums, de saxofoon, de gitaar en de basgitaar onder de knie te krijgen op niets uit. Ook zingt hij een blauwe maandag in de punkband The Nosebleeds. Daar valt hij al op door rake songtitels als `(I Think) I am Ready For The Electric Chair'. Toch lijkt het niet veel te worden met Morrissey (hij overweegt nog even om zijn naam te veranderen in Byron de Niro), totdat de jonge gitarist Johnny Marr bij hem aanklopt, die op zoek is naar een partner om songs mee te schrijven, en met wie hij de spil van The Smiths (1982-1987) zou vormen. Tony Wilson, de baas van Factory Records uit Manchester, waar later de film Twenty-Four Hour Party People over is gemaakt: `Morrissey was de allerlaatste persoon waarvan je verwachtte dat hij het zou gaan maken.'

Ook in The Smiths bleef Morrissey loyaal aan zijn jeugdhelden. Hij citeerde in zijn teksten vrijuit (en zonder aanhalingstekens) uit zijn favoriete films (vooral uit kitchen sink drama van de jaren vijftig en zestig). The Smiths stonden nooit zelf op hun platenhoezen. In plaats daarvan verscheen een eregalerij van Morrisseys favorieten: acteurs als Alain Delon en Terence Stamp, Warhol-superster Candy Darling, een schrijver als Truman Capote, Elvis en James Dean. Over die sterren zei hij: `Door een foto te gebruiken van Candy Darling of een still uit een al lang vergeten film, creëer je een soort code. Als je fan bent van The Smiths denk je net als wij aan bepaalde films, acteurs, schrijvers en fotografen. Dat zorgt voor het geruststellende gevoel dat we één wereld vormen.' Hij koos altijd voor figuren uit het verleden.

Maar de nostalgie van The Smiths werd altijd getemperd door klassebewust sociaal-realisme. Het was nooit vrijblijvend, elitair of gemakzuchtig, zoals veel comfortabele, hedendaagse popnostalgie – maar juist opwindend. `I would love to go back to the old house, but I never will.' Dat vat het wel ongeveer samen.

Andersom is de loyaliteit van de fans aan hun held ook extreem. Fan zijn van Morrissey doe je er niet even bij. Na het concert vertelt Ian (dertig, net te jong om The Smiths nog te hebben meegemaakt) dat hij 100 pond heeft moeten betalen aan een zwarthandelaar om een kaartje te bemachtigen. Bij zijn huwelijk werd het Morrissey-nummer `Interlude' gedraaid, `en nu is mijn schoonmoeder ook fan van Morrissey. Hij heeft een zekere glamour die ook oudere mensen aanspreekt. Soms geneer ik me gewoon als ik bijvoorbeeld aan collega's moet uitleggen hoe belangrijk Morrissey voor me is.'

Metaalmoeheid

The Smiths vielen uiteen nadat Johnny Marr er wegens metaalmoeheid de brui aan gaf. Morrisseys solo-carrière daarna was wisselvallig, met hoge pieken en diepe dalen (hoogste piek: Vauxhall and I, 1994). De laatste zeven jaar waren stil, afgezien van een door Morrissey zelf gefinancierde tournee, die in 1999 ook Tilburg aandeed. Hoe is het in vredesnaam mogelijk dat een artiest van zijn kaliber zo lang zonder platencontract zat? Dat heeft alles te maken met zijn reputatie in de muziekindustrie extreem lastig te zijn. Hij laat soms journalisten dagen wachten, buitenlandse tournee's kunnen worden afgeblazen terwijl iedereen al op het vliegveld staat, en hij versleet sinds de vroegste dagen van The Smiths talloze managers. Dat is niet handig als je platen wilt verkopen, maar nu heeft de platenmaatschappij Sanctuary het toch weer aangedurfd, onder het speciaal voor Morrissey afgestofte label met de veelzeggende naam Attack Records. Zijn dwarse houding heeft er óók voor gezorgd dat alles wat hij heeft gedaan een bepaalde kwaliteit en integriteit heeft behouden. Morrissey hoeft zich voor weinig te schamen, als hij in het donker naar zijn eigen platen luistert, wat hij zegt graag te doen.

Morrissey is a very British popstar. Waar anders dan in Engeland kan een popzanger tot een volksheld uitgroeien die zoveel curieuze en tegenstrijdige eigenschappen verenigt: een militante vegetariër die gefascineerd is door hooligans, gangsters en bendes; een mensenschuwe narcist met een ambivalente seksuele identiteit (aseksueel? homoseksueel? biseksueel? umbrella-sexual zoals hij zelf ooit grapte?); een theedrinkende Britse patriot met een diepe, working class-afkeer van het establishment; een resolute eenling die het liefst per fax met de buitenwereld communiceert en een obsessie heeft met Oscar Wilde, James Dean en vergeten sterretjes uit de jaren vijftig en zestig?

Toch is hij in Engeland een held, nu meer dan ooit. De Britse liefde voor het excentrieke, non-conformistische individu is misschien een mythe, maar er bestaan slechtere nationale mythen om in te geloven.

`Has the world changed or have I changed?', vroeg Morrissey zich af op The Queen is Dead. Een retorische vraag, waarop toch een antwoord mogelijk is. De wereld is veranderd. Morrissey heeft een uitgesproken hekel aan artiesten die zichzelf keer op keer `opnieuw uitvinden': `Meestal hebben ze trouwens helemaal niks om opnieuw uit te vinden.' Morrissey zelf verandert alleen heel, heel langzaam – en met succes. De enigen die het nog niet door hebben zijn de T-shirtverkopers na afloop van het concert. Ze vragen nog steeds vijf pond voor een Morrissey-shirt, en twee keer zoveel voor eentje van The Smiths.

Tasteless wankers.

Het Meltdown-festival duurt tot 27 juni. Meer informatie op www.rfh.org.uk