Hoe de bomen waaien

Geïnspireerd door Nietzsche `frommelt' Marjolijn van den Assem papier tot leven. Het maakt deel uit van haar project Seelenbriefe. ,,Ja, ik ben moeilijk tot bedaren te brengen.''

'Hersenstroom'. Het woord valt meermalen. Hoe ze eraan komt, weet ze niet meer. Misschien zelf verzonnen, of ergens gelezen, maar het geeft precies weer wat ze bedoelt: ,,Naar mijn gevoel omvat dat woord alles wat er in je hoofd omgaat aan gedachten, associaties, stemmingen en emoties. Je zit in een landschap en je denkt aan andere landschappen, je schrijft een brief en je hebt daar je gedachten bij, maar tegelijk gaan die gedachten ook hun eigen weg, dwalen af en keren weer terug. Als ik teken of schilder, probeer ik die hersenstroom als een razende bij te houden en te verbeelden. Nee, niks `peinture automatique', ik volg die stroom en ik hoop dat ik alles op papier krijg, dat mijn hand als een seismograaf weergeeft wat er in mijn hoofd gebeurt, inclusief de emoties.''

Het atelier van Marjolijn van den Assem (57) is een witte, rechthoekige ruimte boven in een verbouwde scheepswerf bij de Rotterdamse Van Brienenoordbrug, waar ze met haar man, de architect Victor Veldhuijzen van Zanten, sinds vijftien jaar woont. Aan de ene kant van het huis stroomt het water van de Nieuwe Maas, aan de andere kant ligt de Eschpolder met zijn knotwilgen, weilanden en schaapskudde. Van die lokkende uitzichten is in het atelier, waar de ramen bedekt zijn met jaloezieën, niets te zien. In deze witte doos, waar ze zich soms wel twaalf uur achter elkaar terugtrekt, bestaat de buitenwereld niet. ,,Mijn werk is mijn schuilplaats. Ik heb twee grendels op de deur en hier durf ik alles. Je hebt geen idee wat een wereldvreemd, mensenschuw wezen ik vroeger was. Ik heb jarenlang tegen mezelf gezegd: niet bang zijn, in je atelier is niks gek. Hier ben ik de baas en hier doe ik wat ik wil en ga ik tot het uiterste.''

Tijdens onze gesprekken zal ze de ruimte geen enkele keer verlaten. Ja toch, eenmaal opent ze de deur naar de gang om mij daar een schilderij te laten zien dat ze maakte toen ze elf jaar was: een weidelandschap met rechte, donkere sloten en aan de horizon een rij huizen en hijskranen. ,,Zie je'', zegt ze, ,,je wordt als kunstenaar geboren. Het zat niet in de familie.''

Midden in het atelier staan drie stoelen keurig op een rijtje: een kinderbureaustoeltje, een uit een boomstam gezaagde Duitse boswachtersstoel en een strakke stoel van plaatstaal. Al jarenlang duiken ze regelmatig op in haar werk: getekend, geschilderd of uitgeknipt en, als een decorstukje, opgezet. Ze vindt stoelen net mensen: ,,Ze hebben een eigen identiteit, het zijn verschillende wezens die toch voor hetzelfde gebruikt kunnen worden. In mijn werk zijn het de rustpunten, daar zet ik ze op mooie plekjes.''

Opbollende heuvels

Om de stoelen heen ligt, hangt en fladdert overal papier. Grote vellen beschreven en met Oost-Indische inkt betekend papier, maar ook papier dat tot tere constructies is geknipt, geniet en gevouwen. Ik zie opbollende heuvels en wegen van papier, bomen en wolken en tegen een van de wanden rijen kleurige, bloemachtige vormen die ze eerst op papier schilderde en daarna `tot leven frommelde'.

De tekeningen, de papieren landschappen en bloemen horen allemaal tot het project Seelenbriefe, waaraan ze nu twee jaar bezig is. Ze ziet het als haar `levenswerk', omdat alles wat de afgelopen dertig jaar een rol speelde in haar kunst hierin samenkomt.

Seelenbriefe, Zielsbrieven, is een project met een verhaal. De titel is ontleend aan de correspondentie van de filosoof Friedrich Nietzsche (1844-1900) met Marie Baumgartner, een scherpzinnige, ontwikkelde vrouw die, zoals Marjolijn van den Assem vertelt, door haar huwelijk met een oudere industrieel een beetje was ingedut. Door Nietzsche, die elke zaterdagmiddag met haar kwam praten, kreeg Marie de intellectuele impuls waarnaar ze hunkerde. Ze voerden een intensieve correspondentie toen Nietzsche in 1876 en '77 in de Italiaanse kustplaats Sorrento verbleef. Hij prees haar `seelenreiche' brieven, hij vond ze `rijk van geest'. Marie had net een boek van Nietzsche in het Frans vertaald dat ze hem toestuurde. Hij was daar zo van onder de indruk dat hij samen met enkele vrienden een veldboeket voor haar plukte tijdens een wandeling langs een weggetje in de heuvels boven Sorrento. Marie ontving dat boeket van 52 bloemen en schreef aan Nietzsche dat ze er zo vreselijk naar verlangde om onder gelijkgestemde geesten te zijn en niets liever zou doen dan af te reizen naar Sorrento en deelnemen aan hun wandelgesprekken. Maar dat was, in haar positie, ondenkbaar.

Marjolijn van den Assem: ,,Ik ben wel afgereisd naar Sorrento, ik heb dus gedaan wat Marie niet kon doen. Ik ben daar op dezelfde dag aangekomen als Nietzsche met zijn gezelschap, ik heb hun wandelweggetje gezocht, me ingeleefd in de gesprekken – die altijd draaiden om de vraag: hoe moet men leven? – en ik heb 52 bloemen geplukt, die ik heb gedroogd en meegenomen naar huis.''

Terug in haar atelier begon ze, op grote vellen, de brieven van Marie over te schrijven: ,,Passages over de bloemen, maar ook over de gemoedstoestand waarin Marie verkeerde. Ze had een heftige, geestelijke relatie met Nietzsche en die wilde ik doorgronden. Daarna ging ik zinnen overschrijven uit de brieven van Nietzsche aan Marie en ik probeerde me voor te stellen wat die bij haar opriepen. Ik dacht: bij deze tekst vouwde ze een bootje om naar Sorrento te varen, en daar ging ze stampvoeten en werd ze kwaad. Alles wat zij zich voorstelde bij het lezen van zijn brieven ging ik door de tekst heen tekenen: het weggetje in Sorrento, de bloemen, de zee.''

Al werkend verwijderden de tekeningen zich steeds verder van Nietzsche en Marie en van het wandelweggetje in Sorrento waar zo hartstochtelijk werd gefilosofeerd. Ze laat zien hoe ze los kwam van het verhaal, hoe de bloemen uitgroeiden tot zelfstandige, papieren wandsculpturen en tot reusachtige tekeningen waarin ze op hun ranke stelen onrustig om elkaar heen dansen of verzonken lijken in een innige omhelzing. De wandelingen van Nietzsche maakten plaats voor denkbeeldige wandelingen waarin ze, op het papier, haar eigen weg zocht. En dan valt weer het woord `hersenstroom': ,,De wandelingen van Nietzsche waren een startpunt om zelf, in mijn hoofd, op reis te gaan, langs mijn eigen herinneringen, plekken en landschappen. Zo werk ik altijd: ik volg mijn hersenstroom, schiet van de ene plek van de aarde naar de andere, of ik er nou geweest ben of niet. In je atelier hoef je geen borden te volgen of benzine te tanken. Het ging uiteindelijk ook niet meer over de verstandhouding tussen Nietzsche en Marie, maar over saamhorigheid en gelijkgestemdheid tussen mensen.''

De vorm die ze vond voor haar Seelenbriefe zou er heel anders hebben uitgezien als Marjolijn van den Assem 15 jaar geleden niet was ingegaan op de uitnodiging van een bevriende schilder, Tom van As, om 's zomers af en toe samen buiten te gaan schilderen. ,,Hij is een fervent buitenschilder en hij dacht dat ik daar wat aan zou hebben. Dat was ook zo: gaandeweg heb ik het landschap veroverd. Ik weet hoe de bomen waaien, het water stroomt, ik ken de kleuren van de wolken. Zonder dat ik buiten ben, kan ik het binnen halen.

,,Als we erop uit trekken, kiest hij altijd de locatie. Hij gaat achter zijn ezel aan de slag en ik in het gras. Ik werk er net als in mijn atelier, op de grond, met potlood, Oost-Indische inkt of acrylverf. Mensen denken: `oh heerlijk, een dagje naar buiten en je uiten', maar in het begin was het een worsteling. Ik keek naar rechts en naar links, zag van alles en wilde te veel tegelijk weergeven. Later beperkte ik me tot één uitzicht en ging daar helemaal in op. Maar ik merkte dat als ik dan na zo'n buitensessie thuiskwam met mijn werk, ik steeds meer de behoefte kreeg om de ervaring van het zitten op die plek te herstellen, om het beeld weer ruimtelijk te maken en er weer in te kunnen. Het platte boeide me niet meer. Daarom ben ik de landschappen die ik buiten tekende en schilderde gaan verknippen en maakte ik er weer een plek van waar ik een stoeltje in kan zetten. Door dat knippen, vlechten en nieten kon ik ook verschillende landschappen met elkaar verbinden, een raster van paden over een heuvel leggen, kruispunten creëren of slingerende rivieren. En er zit veel bos in mijn werk, bomen kunnen geheimen vasthouden en werken als tralies. Met Oost-Indische inkt en met de nietmachine als machtsmiddel baan ik me zo een weg. En op die manier ben ik ook het Sorrentijnse landschap waar Nietzsche doorheen liep te lijf gegaan. Door het ruimtelijk te maken, kan ik er beeldend alles in kwijt, ik kan er met mijn geest aan de wandel en hier en daar uitrusten op een bankje.''

Twee levens

Zoals ze over haar Seelenbriefe praat, gedreven en bijna bezeten, zo werkt ze er ook aan: ,,Ja, ik ben moeilijk tot bedaren te brengen. Ik ben me steeds zo bewust dat ik maar één leven heb, dat ik er voortdurend alles uit wil halen. Maar misschien leid ik wel twee levens. Buiten mijn atelier ben ik een heel gewone mevrouw hoor, en een moeder en grootmoeder.''

Ze vertelt over haar jeugd in Rotterdam en in Emmen waar haar vader een bedrijf in elektronica had. Ze was een verlegen meisje dat zich alleen gelukkig voelde als ze kon tekenen en schilderen. Toen ze 16 was, kreeg haar moeder nog een dochter en vanaf het moment dat ze dat nieuwe zusje in haar armen hield, wilde ze nog maar één ding: zelf een kind krijgen. Dat gebeurde een paar jaar later, toen ze haar man had leren kennen en in Rotterdam op de kunstacademie zat. Na de geboorte ging ze niet meer terug naar de academie: ,,Ik heb het nog wel geprobeerd, maar ik voelde me ouder dan de andere leerlingen, ik paste er niet meer tussen. Mijn man studeerde bouwkunde, we kregen nog een kind, we hadden geen cent, dus ben ik gaan illustreren om wat geld te verdienen. Dat was begin jaren zeventig. Ik had mijn atelier in een kast onder de trap. De deur was doorgezaagd, zodat ik kon werken en toch zien wat de kinderen uitspookten. Ik tekende voor kinderboeken en kranten en ook voor het Landbouwschap – aardappels, andijvie en kropjes sla.''

De minutieuze tekeningetjes van allerlei gewassen moesten wel in botsing komen met haar weerbarstige aard. Ze begon ze te verpesten met impulsieve uithalen en krassen. Dat was het begin van haar vrije werk. Na de groentes tekende ze maandenlang almaar vogelveertjes tot ook die werden vernietigd. Het werd een soort ritueel: de eindeloze cadans van de herhaling waarmee ze zich net zo lang oplaadde tot haar hoofd in opstand kwam. Dan volgde de ordeverstoring, waarna ze al tekenend haar eigen weg moest vinden op het papier. Ja, ze weet wel dat die werkwijze iets dwangneurotisch' heeft, maar: ,,Zo'n eindeloze, uitputtende herhaling leidt altijd tot een omslag en tot een beeldenstroom die ik nooit zomaar had kunnen verzinnen.''

In 1978 las ze voor het eerst een boek van Nietzsche, Ecce Homo (1888) en dat `sloeg in als een bom': ,,Nietzsche heeft dat boek met zijn laatste krachten geschreven, op de grens van de waanzin – kort daarna werd hij gek. De manier waarop ik werk, is het aftasten van die grens, van de overmoed. Misschien dat het me daarom zoveel deed. Na Ecce Homo ben ik alles van hem gaan lezen en omdat ik de behoefte kreeg om steeds zinnen over te schrijven, begon ik een citatenschrift en dat houd ik nu nog altijd bij.''

Snor

In haar atelier is Nietzsche alomtegenwoordig. Hoog tegen de muur hangt een getekend, negentiende-eeuws portret, met zware, overhangende snor. Tafels en kasten zijn bezaaid met boeken van en over Nietzsche en met zijn correspondenties in diverse uitgaven. Elke ochtend voor ze aan het werk gaat, brengt ze haar hersenstroom op gang door te lezen: ,,Wat me bevalt in Nietzsche is de gedachte dat je moet leven alsof je het leven oneindig vaak zou moeten herhalen, dus dat je je verantwoordelijk moet voelen voor elke seconde. Hij is een echte kunstenaarsfilosoof, hij schreef: `We hebben de kunst om niet aan de waarheid ten onder te gaan.' Ik moet vaak om hem lachen, om zijn overdrijvingen, het geëxalteerde, maar het ophitsende karakter van zijn taalgebruik spreekt me toch aan. Als ik 's ochtends in mijn atelier kom, moet ik opgehitst worden. Ik gebruik Nietzsche voor mijn werk zoals een ander gaat racefietsen. Maar ik lees ook andere boeken. Vanmorgen wilde ik even tot rust komen en toen nam ik dat boek van Ger Groot ter hand: Vier ongemakkelijke filosofen: Nietzsche, Cioran, Bataille, Derrida. Dat boek vind ik geweldig, zodra ik erin lees, voel ik me thuis. Maar ik ben nog geen bladzij verder, of ik denk: help, waarom doe ik dit? Mijn hersens schieten tekort. Ik begrijp niet waarom dat lezen van moeilijke boeken zo'n verslaving is. Ik heb al tientallen keren gedacht: ik houd op met Nietzsche, het gaat boven mijn macht. Maar het troost me, ik kan niet zonder en ik heb geleerd: al snap je hele stukken niet, gewoon doorlezen.''

Ze vertelt dat ze altijd op zoek is `naar mooie zinnen'. Die zinnen schrijft ze niet alleen over in haar citatenschrift, ze prikt ze ook in haar atelier aan de muur. `Veel denken houdt oude hersens fit', lees ik en: `Heimwee is ongelukkige verliefdheid'. Ze zegt: ,,De taal is het uitgangspunt van alles wat ik maak.'' Sommige van haar tekeningen en schilderijen zijn rechtstreeks terug te voeren op teksten die haar troffen. Zo bracht een dichtregel van Jean Pierre Rawie – `Ik weet niet zeker of het zwanen waren' – haar de twee zwanen in een veel te klein vijvertje in herinnering die ze begin jaren tachtig gezien had toen ze een bezoek bracht aan het Pruisische dorpje Röcken, de geboorteplaats van Nietzsche. In haar werk komen nooit mensen of dieren voor, behalve die twee zwanen in hun benarde vijvertje. Marjolijn van den Assem: ,,Dat was een drama dat mij aansprak en toen ik later die regel van Rawie las, dacht ik: `Nou dat zal ik je bewijzen, dat het zwanen waren.''' Vervolgens doken de twee zwanen in verschillende werken op. In haar atelier puilen ze samen uit een klein schilderijtje. Als ik erop wijs, zegt ze: ,,Die zwanen zijn allang weer uit mijn leven verdwenen, dat was een zijsprong.''

Ze vertelt dat ze nu gegrepen is door een zin van Emily Dickinson: `Zou u mij kunnen vergeten in een gevecht of op de vlucht of in een ver land?' ,,Daar zit gedrevenheid in, en hunkering naar de ander die onbereikbaar is. Marie schreef aan Nietzsche dat ze hem terugdacht op de stoel waarop hij altijd met haar zat te praten. Iemand terugdenken op een stoel – dat is koren op mijn molen. Dat is dat verlangen. Af en toe denk ik mijn liefste vrienden hier op die stoeltjes. De herinnering werkt gelukkig zo dat je de mooie dingen aan elkaar rijgt, als een ketting om je nek. Die herinneringen hebben vaak met iemanden te maken, met plekken, wandelen, uitzichten.''

Ze is weer terug bij haar project, bij Seelenbriefe. ,,Ik moet er niet aan denken dat het straks af is, ik zit er nu zo in.'' Ze loopt naar een rij tekeningen van geabstraheerde bloemkelken tegen een zwarte achtergrond: ,,Dit zijn de kaalste, de soberste tekeningen die ik ooit gemaakt heb. Dat was een grote stap. Maar er moet nog een conclusie komen, in de zin van: het is op, het is klaar, alles is gezegd. Nee, ik zou niet weten hoe dat eruit gaat zien, dan zou ik mezelf in de wielen rijden.''

Ze kijkt me aan en laat zich ineens, midden in ons gesprek, ontvallen: ,,We hadden het over mooie zinnen en motto's. Mijn levensmotto is: `ik wil dat het druk wordt op mijn begrafenis'. Niet omdat ik zo lief was of omdat er zoveel van me gehouden werd. Maar ik hoop dat ik dat bereik met mijn werk.''

Werk van Marjolijn van den Assem is te zien op de expositie `Transforming home', Ram foundation, Blekerstraat 10 Rotterdam, t/m 25/7. Do-zo 13-18 u. Inl. www.ramfoundation.nl. Verder op de Belgische Papierbiënnale-expositie `Wish you were [t]here' in het Stedelijk Museum Aalst, Oude Vismarkt 13, Aalst, België. Di t/m vrij 10-12 en 13-17 u, za en zo 14-18 u. 19/6 t/m 19/9, gesloten op: 11/7, 21/7 en 15/8.