Herboren in oorlog na oorlog

Beroepsmilitairen, die dood en verderf hebben gezien en na hun militaire carrière topposities in de politiek bekleden, kiezen vaak voor vreedzame oplossingen. In de Israëlische realiteit lijkt dat een vuistregel te zijn geworden. Generaal Yitschak Rabin, chef-staf van het zegevierende Israëlische leger in de oorlog van 1967, reikte na zijn verkiezing tot premier in 1992 de Palestijnse leider Yasser Arafat de vredeshand. Generaal Moshe Dayan, minister van Defensie in die bewogen oorlogsdagen en chef-staf tijdens de Sinaï-oorlog in 1956, ging hem – als minister van Buitenlandse Zaken onder premier Menachem Begin – voor als vredesstichter met Egypte. Generaal Ariel Sharon, minister van Defensie tijdens de Libanese oorlog van 1982 tot 1984, vertoont in zijn rol van premier, ondanks de hardheid van zijn oorlog tegen de Palestijnen, ook tekenen van matiging.

Deze drie op het slagveld bewierookte generaals zijn voor de stichting van de staat Israël in 1948 geboren. Dayan zag in 1915 het levenslicht in een kibboets. Hij begon zijn militaire carrière in 1936 in de Hagana, de voorloper van het Israëlische leger. Alle drie hebben vanaf hun jonge jaren in alle Israëlische oorlogen en reeksen invallen in Arabische buurlanden tegen de Palestijnen gevochten. Maar ook hebben ze tijdens het Britse mandaat over Palestina in hun jeugd met Palestijnen samen geleefd.

Uit de biografie van de Israëlische militaire historicus Martin van Creveld blijkt dat Dayan van dit drietal de meeste compassie had met de Palestijnen die door de stichting van Israël en daarop volgende oorlog uit hun woonplaatsen werden verdreven of op de vlucht sloegen. In hun jongere jaren echter waren Dayan, Rabin en Sharon compromisloze vechtersbazen die het in hun militaire carrières in de strijd om Israëls bestaan en veiligheid niet zo nauw hebben genomen met het oorlogsrecht. Toen een soldaat Dayan eens vroeg wat er met krijgsgevangenen moest gebeuren kreeg deze als antwoord dat hij het zelf maar moest uitzoeken.

Dayan, Rabin en Sharon behoren tot de generatie Israëlische beroepsmilitairen die door hun persoonlijke moed en strategisch inzicht Israëls leger tot een geduchte vechtersmachine hebben gemaakt. Van deze `sabres', in Israël geborenen, is Moshe Dayan de meest complexe, en ook de meest ondoorgrondelijke persoonlijkheid. Zijn grote zwarte ooglap over zijn linkeroog gaf hem een magisch imago van de in Israël `herboren' joodse `strijder', die met één oog als chef-staf grote militaire successen op zijn naam schreef. In 1941 werd zijn oogkas verbrijzeld toen een kogel tijdens een actie in Libanon het glas van zijn verrekijker versplinterde. Tot aan roekeloosheid grenzende moed, gepaard aan uitmuntende terreinkennis en een ijzeren wil het oorlogstoneel zo dicht mogelijk bij het slagveld te volgen, maakten Dayan tot een militaire leider die het respect van de soldaten afdwong en in de Arabische wereld werd gevreesd. Tijdens een bezoek aan Vietnam in 1966 voor de krant Ma'ariv kwam hij diep onder de indruk van de vuurkracht van het Amerikaanse leger. Maar de gebrekkige Amerikaanse terreinkennis en de zijns inziens onrealistische doelstellingen van de Amerikaanse interventie in de Vietnamese burgeroorlog bracht hem tot de conclusie dat `de Amerikanen alles winnen behalve de oorlog'.

Als chef-staf van 1952 tot 1958 heeft Dayan de Israëlische militaire doctrine vaart gegeven. Hij legde het accent op de verrassingsaanval, het misleiden van de vijand en op persoonlijke moed van de officier die zijn manschappen in de strijd moet voorgaan. Dayan verscheen als een legendarische held op het wereldtoneel toen het Israëlische leger in de Sinaï-oorlog van 1956 in enkele dagen door het uitvoeren van gewaagde manoeuvres het Egyptische leger in de Sinaï-woestijn versloeg.

Zijn roem bereikte een duizelingwekkend hoogtepunt toen het Israëlische leger in de oorlog van 1967 in amper zes dagen achtereenvolgens de legers van Egypte, Jordanië en Syrië overwon en Israël een imperium werd. Dayan was in die dagen minister van Defensie. Zes jaar later verbleekte zijn faam toen Tshahal, het Israëlische leger, door de legers van Egypte en Syrië in de oorlog van 1973 aan de rand van een nederlaag kwam te staan. Een jaar later trad hij af als minister van Defensie om in de rol van minister van Buitenlandse Zaken in de Likud-regering van Menachem Begin in 1977 een hoofdrol te spelen in het vredesproces met Egypte.

Martin van Creveld (geboren in 1946 in Nederland en sinds 1950 woonachtig in Israël) heeft de opkomst en val van deze gecompliceerde Israëlische held in een eerlijke biografie neergezet. Zonder zich te verstrikken in te veel details verweeft de biograaf zowel de uitzonderlijke militaire als politieke carrière van Dayan met de loop van Israëls geschiedenis. Voor een goed begrip van Dayans visie als minister van Defensie tijdens de oorlog van 1967 en als minister van Buitenlandse Zaken onder premier Begin is het van groot belang dat hij in zijn jonge jaren in Palestina grote affiniteit voelde met de Palestijnen. Hij had Palestijnse vrienden, sprak, las en schreef Arabisch en bewonderde de eenvoud van de Palestijnse levensstijl. Later werd hij, eenmaal lid van de Knesset, het parlement, beschimpt als `Arabier' omdat hij niet deelnam aan debatten over de joodse identiteit. In de oorlog van 1967 was Dayan aanvankelijk tegen de verovering van de westelijke Jordaanoever en de hoogvlakte van Golan. Met een vooruitziende blik instrueerde hij het opperbevel niet tot het Suez-kanaal op te rukken. Hij voorzag grote moeilijkheden bij de sluiting van deze belangrijke internationale waterweg.

Van Creveld tast in het duister over de diepste beweegredenen van Dayans ommekeer ten aanzien van deze cruciale militaire ontwikkelingen. Uit zijn biografie blijkt duidelijk dat Dayan in de eerste plaats Israëls veiligheid op het oog had en geen ideologische territoriale visie had. Als chef-staf lokte hij in 1955 en 1956 door invallen in de strook van Gaza, deels in reactie op Palestijnse acties in Israël, oorlogsspanning met Egypte uit. Dayan wilde het Egyptische leger vernietigen voordat het grote Russische wapenleveranties had geïntegreerd in zijn divisies. Toen chef-staf Rabin ten tijde van het premierschap van Levi Eshkol de spanning met Syrië in 1966 en daarna opdreef, vond Dayan dat een waanzinnige gedachte. Oorlog met Syrië, zo oordeelde hij, diende geen enkel Israëlisch strategisch belang. De incidenten met Syrië schiepen echter een oorlogstoestand in het Midden-Oosten doordat de Egyptische president Gamal Abdel Nasser het defensiepact met Damascus honoreerde. Het Egyptische expeditieleger werd uit Jemen teruggetrokken en stelde zich dreigend op in de Sinaï-woestijn. Israël raakte in paniek. Dayan, de held van de oorlog van 1956, werd uit de politieke wildernis teruggeroepen en nam het ministerie van Defensie over uit handen van premier Eshkol.

Toen de Westelijke Jordaanoever in 1967 in Israëls handen viel kwam het niet in Dayan op dat Israël dit gebied zou moeten annexeren laat staan massaal koloniseren. Hij had Palestijns zelfbestuur op het oog met behoud van Israëlische strategische militaire belangen in dit gebied.

Dayan onderhield na 1967 nauwe persoonlijke contacten met Palestijnse notabelen. Uit protest tegen de obstructie door premier Begin van het Palestijnse autonomieakkoord (annex van vredesakkoord met Egypte) trad hij zeven maanden na de Israëlisch-Egyptische vrede in 1979 als minister van Buitenlandse Zaken af.

Dat Dayan `vrouwen verwisselde als sokken' en zo'n hartstochtelijke archeoloog was dat hij zich schuldig maakte aan diefstal van door hem gevonden objecten, zijn karaktertrekken van een in wezen eenzame man, wiens moed en tragedie hand in hand gaan.

Martin van Creveld: Moshe Dayan. Orion Publishing, 223 blz. €16,33.