Duurt het nog lang, met die kunst?

De vooraanstaande kunstcriticus Robert Hughes moet The End of Art van zijn Amerikaanse collega Donald Kuspit hebben gelezen. Hughes hekelde in Londen onlangs de `rotzooi' die de Royal Academy deze zomer als BritArt presenteert. Hij betichtte BritArt-grossier Saatchi van nepotisme en een discutabele smaak. `Wat we nodig hebben is langzame kunst – kunst die zich afzet tegen de massamedia', aldus Hughes.

De Amerikaanse kunsthistoricus en filosoof Kuspit (1935) zegt hetzelfde, maar dan grondiger, in zijn boek The End of Art. Ook hij gruwelt van de condooms die Tracey Emin tentoonstelt en de koeienkop in ontbinding waar Damien Hirst de media mee opwindt. Kunstenaars als deze, adepten van het conceptualisme en postmodernisme, zogenaamde `postartists', produceren bij gebrek aan creativiteit `non-art', vindt Kuspit. Zielloze kunst van kunstenaars die in navolging van de 20ste-eeuwse boosdoeners als Duchamp en Warhol de alledaagse werkelijkheid visueel kaalplukken zonder daar zelf iets noemenswaardigs aan toe te voegen. Ze parasiteren op alles wat zich aan banaliteiten, geweld en doodsverachting in de buitenwereld manifesteert en gebruiken `kunst' om hun toeschouwers een ideologisch idee, een mening, in het gezicht te smijten, aldus Kuspit. Sociale cameleons zijn het, `business men in art' ook, verzot op de massamedia. Om het grote publiek te bereiken mag hun werk niet al te complex zijn. Indien nodig, gebruiken ze teksten en theorieën om het gebrek aan vorm en inhoud te compenseren. Wat Kuspit betreft is de `postartist' net zo conformistisch en smakeloos als het massapubliek dat hij of zij bespeelt.

Helaas heeft Kuspit zijn bevlogen aanklacht èn litanie dichtgemetseld met een karrenvracht aan psychoanalytische, filosofische en kunstkritische citaten, maar hij haalt veel overhoop: over de anti-esthetische visie van Duchamp; over de omstreden rol van musea in de entertainmentcarrousel; over het complexe begrip `authenticiteit'; over `outsider art'; over het modieuze `recyclen' en dus tenietdoen van klassieke kunstwerken; en vooral over het onderbewustzijn als bron van creativiteit.

Beeldende kunst zal als `toeschouwerssport' verdwijnen, voorspelt Kuspit. Het publiek zal zijn toevlucht zoeken tot de oude meesters. Wat nieuw lijkt, zal nòg sneller passé raken. Om dat tij nog te keren moeten we terug naar `langzame kunst'. En die kunst kan alleen rijpen als de kunstenaar op afstand de realiteit beziet en zich weer terugtrekt in zijn atelier, om daar tot zelfonderzoek en zelfinzicht te komen, om dat wat verdrongen is aan angsten en conflicten onder ogen te durven zien, om ook lering te trekken uit zijn of haar voorgangers. De oppervlakkigheid van veel video's, performances en installaties, kan pas in dat isolement weer plaatsmaken voor spiritualiteit en het oprecht empathische engagement dat Kuspit aan bijvoorbeeld Van Gogh toeschrijft – kunst met de bezieling en zeggingskracht van een openbaring. Als voorbeelden van `New Old Masters' draagt Kuspit zelf alleen schilders aan die het ambacht nog beheersen, onder wie Jenny Saville en Lucian Freud, bakens in `dark postart times'. Alleen al de algemene consensus in Nederlandse kunstcircuits dat logeren, koken en masseren tot de beeldende kunsten moeten worden gerekend, is een aansporing om Kuspit te lezen.

Donald Kuspit: The End of Art. Cambridge University Press, 208 blz. €42,80