De staatsgreep

Het licht viel deze week uit op de Eiffeltoren in Parijs en het paleis van de Franse president moest overschakelen op het noodaggregaat. Acties van het personeel van Electricité de France (EdF) zorgden voor het ongemak. De Franse regering wil het staatsmonopolie voor de elektriciteit, evenals Gaz de France (GdF, aardgas), in een andere juridische bedrijfsvorm gieten. Niet langer een staatsbedrijf, maar een naamloze vennootschap met de staat als enige aandeelhouder, vooruitlopend op gedeeltelijke privatisering. Maar dit voornemen heeft flinke averij opgelopen. Beide bedrijven zijn bolwerken van de (communistische) vakbonden en deze hebben met weken van acties duidelijk gemaakt dat ze niet van plan zijn hun geprivilegieerde arbeidsvoorwaarden onder meer pensioen op 52-jarige leeftijd op te geven. Het Franse kabinet heeft de oorspronkelijke plannen inmiddels afgezwakt in een poging de onbuigzame opstelling van de vakbonden te verzachten. Ook al is liberalisering van de energiemarkt een eis van de Europese Unie en heeft de Franse regering de opbrengsten van een toekomstige privatisering hard nodig om de overheidsfinanciën op orde te brengen.

In Frankrijk is het politieke geloof in staatsbedrijven nog altijd groot. De argumenten om EdF en GdF in staatshanden te houden veiligstelling van de energievoorziening en overheidsgreep op de bedrijfsvoering zijn betwistbaar. De overheid zal altijd een grote rol houden in het toezicht en de regulering van energiemarkten, zeker in Frankrijk waar elektriciteit met kernenergie wordt opgewekt. Maar het eigendom van de ondernemingen is geen garantie voor een optimale bedrijfsvoering. Bovendien staat de Europese Unie directe subsidiëring uit de staatskas niet langer toe en moet een beroep op de particuliere kapitaalmarkten losgemaakt worden van overheidsgaranties. Ten slotte is er sprake van Europese ongelijkheid als EdF wél toegang krijgt tot andere nationale markten en daar energiebedrijven kan opkopen, maar de Franse energiemarkt hermetisch gesloten blijft voor buitenlandse gegadigden.

In Nederland verkent Schiphol een andere route. De luchthaven, nu nog eigendom van het rijk en van een aantal gemeentes, wil graag privatiseren om aldus nieuw kapitaal aan te trekken voor expansie. Een van de voornemens is om een bod te doen op de Brusselse luchthaven Zaventem als dependance voor groei ten behoeve van de Frans-Nederlandse luchtvaartcombinatie Air France-KLM. Het verzet tegen privatisering van Schiphol komt niet van de vakbonden, maar van de nationale politiek in Den Haag. Daar aarzelt men al jaren over de vraag of Schiphol door de overheid verkocht mag worden, waarbij politieke voor- en tegenstanders elkaar in evenwicht houden. Een beursgang is om twee redenen interessant: het vergroot de bedrijfsmatige armslag en verruimt de mogelijkheden om kapitaal aan te trekken. Maar voor een luchthaven blijven regelgeving door en betrokkenheid van de overheid onverminderd van kracht vanwege de regionale economische betekenis, ruimtelijke en ecologische effecten, de veiligheid en de internationale afspraken over landingsrechten.

Zowel in het Franse als het Nederlandse voorbeeld gaat het uiteindelijk om de afweging van sturing op eigendom of op regelgeving. Maar een luchthaven is een fysiek monopolie, een vrije energiemarkt biedt mogelijkheden voor concurrentie. De directie van Schiphol zal ondubbelzinnig duidelijk moeten maken waarom aan privatisering de voorkeur wordt gegeven boven publiek eigendom. Want als de Nederlandse staat zijn eigendom van de luchthaven loslaat, gelden de regels voor marktwerking van Brussel.