Dag man zonder naam

Heel lang geleden, meer dan tweeduizend jaar, arriveerde ergens op de kust van Syrië een schip. Het was afkomstig van het Griekse eiland Tenos. Aan boord was een man van achtentwintig jaar. Hij heette Emis. Hij was naar de Syrische havenstad gereisd `met de bedoeling zalvenhandelaar te worden', zo lezen we in het gedicht `In de haven', geschreven in 1917, van de Griekse dichter Kavafis (1863-1933), in de vertaling van G.H. Blanken. Mooi beroep: zalvenhandelaar. Volgens andere vertalers, Hans Warren en Mario Molegraaf, was hij naar Syrië gereisd `om er te leren voor handelaar in reukwerken'. Ook mooi. Laten we het houden op een veelbelovende leerling-apotheker met parfumerie als specialisatie.

De onzekerheid van de vertalers over de precieze aard van de voornemens van de man past goed bij het gedicht. Er is ook verder niet zo veel over hem bekend. Hij was tijdens het varen ziek geworden, `en nauwelijks/ aan land gekomen, is hij gestorven.' Hij had een begrafenis gekregen, `heel armelijk'. En verder? Emis had een paar uur voor zijn dood nog iets gefluisterd over zijn thuis en over zijn ouders, heel erg oud. `Maar wie dat waren, kwam niemand te weten.' En ook niet waar hij zelf precies vandaan kwam. Misschien is dat ook maar beter, zegt de spreker in het gedicht. `Immers zo, terwijl/ hij als dode ligt in deze havenplaats,/ zullen zijn ouders altijd blijven hopen dat hij leeft.'

Iedere lezer zal hier vermoedelijk even instemmend knikken. Het lot van deze jonge drogist is het lot dat door velen wordt gevreesd: ziek en hulpeloos aankomen op een vreemde kust, eenzaam sterven in een buitenland, ver van de dierbaren, omringd door een handjevol vreemden die hun schouders ophalen, hun nagelriemen nog maar eens terugduwen en het verder ook niet goed weten – en dan maar vlug een eenvoudig graf voor je graven. Dan is het maar beter dat zijn heel erg oude ouders, die vermoedelijk niet zo lang meer te leven hebben, van niets weten en sterven in de veronderstelling dat hun Emis in die verre Syrische havenstad een heel leuk zalvenhandeltje aan het opzetten was.

Het graf van een jonge onbekende: wat kan je er verder over zeggen dan wat Kavafis erover zegt? Het is een kalm en waardig uitgesproken in memoriam, met veel pauzes, over twaalf regels van wisselende lengte verdeeld, zonder rijm, zonder enige opsmuk. Een gedicht is het eigenlijk niet. Het ontroerende is dat ooit iemand zich het lot van de jonge vreemdeling heeft aangetrokken en hem een graf heeft bezorgd, en dat Kavafis zich er twintig eeuwen later opnieuw over heeft ontfermd, als zijn woordvoerder. Sterk is ook de keuze van het spreekstandpunt, of hoe noem je dat. Hier is een tijdgenoot van de dode aan het woord. Een ooggetuige die het allemaal heeft zien gebeuren en die ons nu op ingehouden toon, nog steeds licht aangedaan, vertelt hoe alles in zijn werk is gegaan: als waren wij de verre nabestaanden, pas later op het spoor gekomen en toen ijlings uit verschillende hoeken van de grote Griekse wereld ingezeild en ingegaloppeerd, maar helaas te laat gearriveerd voor de teraardebestelling. De suggestie van historische actualiteit is groot. Het kost bij het lezen weinig moeite om het haastig gedolven graf aan onze voeten te zien liggen. Je voelt omtrent de vierde regel de wind uit zee opsteken. Zandkorrels verwaaien. En na de laatste regel tsjirpt nog even ergens een verdwaalde krekel.

Doet het er dan nog veel toe om te weten dat, zoals Blanken vermeldt, Emis `een fictieve figuur' was? En dat Kavafis graag epigrammen schreef die, zoals Warren en Molegraaf vermelden, `naadloos aansluiten bij de antieke overlijdensepigrammen'? Een beetje wel, ja, als ik eerlijk ben. Bij rouw hoort geen namaak, ook al zie je er niks van.

Ik las nog een ander grafgedicht. Het begon zo: `Dag man zonder naam, ik groet u, onderweg/ naar 't laatste land waar ieder welkom wordt geheten./ Waar niets van niemand hoeft te weten. Dag meneer,/ zonder papier, zonder identiteit. Wat zocht u hier?' Het zou voor onze Emis in Syrië geschreven kunnen zijn. Met dezelfde toon van vergeefsheid: `Wat bent u kwijt? Wie staart nu door een leeg raam/ en wacht u, man zonder naam, wacht, terwijl ik praat,/ mijn lege woorden zeg in een lege zaal./ Ik kom te laat. Ik heb u niet gekend.'

Het zijn regels van Frank Starik, uit een in memoriam gedicht voor een naamloze eenzame onbekende dode, in februari van dit jaar gevonden in Amsterdam. Deze doden worden door het Bureau Uitvaarten van Gemeentewege in stilte en in alle eenvoud begraven, maar sinds november 2002 ontfermt Frank Starik zich over hen. Hij heeft het op zich genomen om namens de stad bij hun begrafenis aanwezig te zijn en als laatste groet een gedicht uit te spreken, speciaal voor deze overledene geschreven. Naar het voorbeeld van Bart FM Droog, die er in Groningen mee begonnen was. In Groningen, met twee of drie van zulke uitvaarten per jaar, is Droog de enige dichter van dienst. In Amsterdam (tussen de tien en twintig onbekende doden per jaar, het wisselt nogal) is er een Poule des Doods, met dichters als Rogi Wieg, Hans Kloos, Tsead Bruinja, Simon Vinkenoog en Frank Starik zelf, om bij toerbeurt (vier keer per jaar, één keer per seizoen) een eenzame uitvaart te begeleiden.

Inmiddels zijn er ruim twintig gedichten geschreven: stuk voor stuk ontroerend, stuk voor stuk drijvend op het merkwaardige verschijnsel dat de inleving groter en de strekking universeler is naarmate de overledene onbekender en anoniemer is. Zo werkte het bij Kavafis ook al – en daar ging het nog niet eens om een echte dode. De gedichten van Starik en de andere Eenzame Uitvaart-dichters zijn allemaal kennismakingsbrieven en afscheidsgroeten ineen. De dichter van dienst probeert op grond van de schaarse gegevens toch nog tot een portret te komen en de onbekende vreemdeling alsnog welkom te heten in dit leven. Starik: `Wie dan heeft u liefgehad? In welke kamers sliep u,/ wie trok uw lakens strak, wie draagt uw hemden af?/ [...] Wie heeft de stem gehoord, die u toen riep/ naar uw laatste haven, Amsterdam?' En tegelijk moet hij hem nu, staande bij het graf, laten gaan, uitzwaaien, en dan maar alle goeds toewensen op zijn verdere reis `naar 't laatste land waar ieder welkom wordt geheten', naar het laatste land `waar u naamloos welkom bent.'

Het is een mooi inititatief, en een mooi gebaar. Het is even nutteloos als zwaaien naar de zon, maar het roert ergens, diep, aan iets, aan zoiets als de zin van het leven en de zin van de dood. `Het is gezien,' mompelde hij, `het is niet onopgemerkt gebleven.' Gerard Reve, slot van De avonden. `Hij strekte zich uit en viel in een diepe slaap.'