Als papa ons kon zien

Toeristen trokken vandaag naar Waterloo, waar de laatste slag van Napoleon zoals elk jaar is herdacht. Maar Napoleon was meer dan een enkele reis naar het slagveld. Uit een uitstekende nieuwe politieke biografie komt hij naar voren als de grondlegger van het moderne Frankrijk.

Het slagveld van Waterloo, waar Napoleon op 18 juni 1815 zijn beslissende nederlaag leed, is een van Europa's oudste toeristenattracties. De strijd was nauwelijks gestreden of de 40.000 kermende gewonden kregen al gezelschap van de eerste ramptoeristen. En die toeristen komen nu al bijna twee eeuwen lang. Het beeld van de slag dat de bezoeker in die periode is voorgehouden, is daarbij steeds eenzijdiger geworden. Aanvankelijk was het nog zo dat het verloop van de strijd keurig werd naverteld met behulp van een hele rij hoofd- en bijfiguren. Naast Napoleon zijn maarschalken, onder wie Ney die zich opnieuw moest bewijzen nadat hij in 1814 was overgelopen naar Lodewijk XVIII. Tegenover hen de hertog van Wellington, op zijn volbloed Copenhagen, bijgestaan door de Pruisen onder Blücher en door de verenigde Nederlanders en Belgen. Dezen werden aangevoerd door de prins van Oranje, de latere koning Willem II, die op het slagveld gewond raakte en – zoals het kolossale schilderij van Pieneman in het Rijksmuseum het voorstelt – werd weggedragen als gold het een kruisafname.

Tegenwoordig zijn al die andere figuren, Wellington incluis, grotendeels verdwenen en gaat het eigenlijk nog maar om één man: Napoleon. Het zou de moeite lonen een onderzoekje in te stellen onder het publiek in de diverse horecagelegenheden in Waterloo met de vraag wie de slag nu eigenlijk gewonnen heeft. En het zou me niet verbazen dat Napoleon dan alsnog als grote winnaar uit de bus komt.

Ook de geschiedschrijving over Napoleon is een slagveld. Over geen enkel ander mens zijn zoveel boeken geschreven als over Napoleon. Alleen Jezus schijnt die honderdduizenden titels nog enigszins te benaderen. Velen hebben zich al het hoofd gebroken over die Napoleon-fascinatie, zonder meteen met een sluitende verklaring te komen. Het is wel duidelijk dat Napoleon bij het grote publiek veel beter ligt dan in wetenschappelijke kring. Serieuze studies over hem zijn veel schaarser dan die eindeloze reeks populariserende publicaties. Daar ligt misschien ook de sleutel voor een verklaring. Napoleon de revolutiegeneraal viel destijds al zo goed bij zijn soldaten omdat ze hem zagen als één van hen, iemand die hun ontberingen deelde en met wie ze zich konden vereenzelvigen. Het meritocratische idee van de `carrière ouverte aux talents', ofwel dat iedere soldaat een maarschalksstaf in zijn ransel draagt, straalde Napoleon zelf uit. Hij bleef het ook altijd propageren en het heeft sterk bijgedragen tot zijn populaire imago, ook in de napoleontische legende na zijn dood.

In die onophoudelijke stroom Napoleonboeken lijken de wetenschappelijke titels momenteel in aantal en kwaliteit toe te nemen. Dat komt waarschijnlijk omdat de belangstelling die altijd sterk op de Revolutie (tot en met de Terreur) gericht is geweest, langzamerhand opschuift naar de perioden daarna. We beleven nu de bicentenaire van de grote momenten uit de Napoleontische legende. In 1799 was het 200 jaar geleden dat hij – op 18 Brumaire van het jaar VIII – de macht greep. In december van dit jaar zal het 200 jaar geleden zijn dat hij zichzelf, in het bijzijn van paus Pius VII, de keizerskroon opzette. Toch is het bepaald niet zo dat al deze momenten grootscheeps herdacht worden, zoals dat wel het geval was met de bicentenaire van de Franse revolutie in 1989. Het is opvallend hoe omzichtig Frankrijk omgaat met de herinnering aan Napoleon. Dat geldt zowel voor het officiële Frankrijk als voor de geschiedwetenschap. In zijn ambitieuze nieuwe biografie, Napoleon. A political life, probeert de in Parijs woonachtige Amerikaan Steven Englund voor die ongemakkelijke verhouding een verklaring te geven.

Het vereist enige durf om aan die paar honderdduizend Napoleonboeken nog iets te willen toevoegen. Wil je daartussen opvallen dan moet je ook iets opvallends te zeggen hebben. `Angle is everything', luidt het motto van de hedendaagse Napoleonologie. Dat heeft bijvoorbeeld enige tijd geleden een studie opgeleverd over Napoleon the novelist (door Andy Martin). We wisten allang dat Napoleon een meester van het aforisme was en dat zijn militaire bulletins in heel Europa werden gelezen als een feuilleton. Niet alleen vanwege het nieuws dat ze brachten maar juist vanwege hun literaire verbloeming van de feiten. Maar het gaat wat ver Napoleon daarom maar meteen tot romancier te bombarderen. Heel geslaagd daarentegen was Annie Jourdans Napoléon: héros, imperator, mécène (Aubier, 1998) waarin Napoleon met een mengeling van kritische distantie en empathie wordt geportretteerd als een man van cultuur. In dubbel opzicht: hoe hij de vriend was van kunsten en wetenschappen, maar ook hoe hij zijn eigen beeldvorming regisseerde en hoe het nageslacht hem metterdaad in beeld heeft gebracht.

In 1946 heeft Pieter Geyl het historiografische slagveld in kaart gebracht in zijn Napoleon – voor en tegen, nog altijd een van de beste en meestgeciteerde studies over het Napoleonbeeld. Het jaartal geeft eigenlijk al aan hoe Geyl – van huis uit geen Napoleonkenner – tot die interesse was gekomen. De vergelijking met die andere dictator Hitler had hem ertoe gebracht, al diepte hij de vergelijking verder niet uit. Daarvoor waren de twee historisch veel te ongelijk, oordeelde Geyl terecht. Wat je ook tegen Napoleon kon hebben – en dat was in Geyls ogen heel wat – het was toch van een andere aard en orde dan de misdaden die Hitler begaan had, in het bijzonder de jodenvervolging.

Geyl had nu en dan zelfs de neiging de schim van Napoleon vergiffenis te vragen voor de vergelijking. Maar hij was bang dat het met de reputatie van Hitler wel eens dezelfde kant zou kunnen opgaan als met die van Napoleon. En dat het niet lang zou duren of ook Hitler zou zijn apologeten en zelfs zijn verheerlijkers vinden. Een halve eeuw verder kunnen we vaststellen dat deze verwachting niet is uitgekomen. Natuurlijk is in de Duitse Historikerstreit het begrijpen van Hitler soms zo ver gegaan dat het op een verontschuldiging begon te lijken. Maar tot een met de Napoleontische vergelijkbare Hitlerlegende heeft dit toch niet geleid. Daarom lijkt het ook niet meer zo nodig het verhaal van de Napoleontische legende (inclusief de zwarte legende van de tiran die honderdduizenden de dood injoeg) te vertellen als waarschuwing tegen het ontstaan van een Hitlerlegende. Loskomend van die obligaat geworden vergelijking met Hitler, zou het mogelijk moeten zijn het fenomeen Napoleon meer in zijn eigen tijd en op zijn eigen merites te beoordelen.

De naoorlogse Nederlandse lezer werd in 1946 behalve met het boek van Geyl ook nog verwend met een uitstekende Napoleonbiografie van Jacques Presser. En terwijl Geyl aan de hand van Napoleon zijn stelling onderbouwde dat de geschiedenis `een discussie zonder eind' was, vertelde Presser op raillerende toon het leven en haalde hij en passant de Grote Man onderuit. In de halve eeuw die sindsdien is verstreken, heeft de geschiedschrijving natuurlijk niet stilgestaan, al heeft zij zich juist veel minder beziggehouden met Grote Mannen. De winst van Englunds moderne appreciatie schuilt dan ook vooral in het verbinden van de nog steeds toenemende stroom primair bronnenmateriaal (met name de haast onuitputtelijke contemporaine memoire-literatuur) met moderne wetenschappelijke inzichten over de periode.

Englund vertelt zijn verhaal in een prettig leesbare stijl, waarbij hij nu en dan zelfs Napoleon de aforist naar de kroon probeert te steken: `Napoleon Bonaparte was a self-made man, and he worshipped his creator.' Een groot voordeel is dat hij zowel in de Franstalige als in de Anglo-Amerikaanse geschiedschrijving goed thuis is. Dat betekent bijvoorbeeld dat hij enerzijds de invloedrijke opvattingen verwerkt van Pierre Rosanvallon over de ontwikkelingslijnen van het moderne Frankrijk in de afgelopen twee eeuwen. Maar daarnaast ook die van de Amerikaan Isser Woloch, wiens belangrijke studies over het `nieuwe' Frankrijk van na de revolutie (te beginnen met de val van Robespierre in 1794) die tot dusver voornamelijk in vakkringen opgang hebben gemaakt. Zo heeft Woloch in zijn meest recente boek, Napoleon and his collaborators (Norton, 2001) de vormgeving, organisatie en machtsbasis van de Napoleontische dictatuur grondig geanalyseerd, dankbaar puttend uit de genoemde memoireliteratuur.

Englunds boek is inderdaad een politieke biografie, zoals de ondertitel luidt, en geen militaire. Dat bepaalt ook zijn toonzetting en zijn relatief milde oordeel, als het gaat om de voors en tegens bij Napoleon. Wie vooral kijkt naar de staatsman en de staatsvormer besmeurt zijn handen immers minder gauw met het bloed van gesneuvelde soldaten en onderdrukte volkeren. Het heldenverhaal van de tientallen gewonnen veldslagen dat leest als een plattegrond van Parijs – Rivoli, Ulm, Austerlitz, Jena, Wagram – wordt relatief kort behandeld. Hetzelfde geldt voor het verhaal van de clan-Bonaparte, een sappige familiesoap in vele delen, ooit zorgvuldig gereconstrueerd door Frédéric Masson – de Napoleon der Napoleonbiografen, aldus Presser – en sindsdien vele malen naverteld en overgeschreven. Het mag dan zo zijn dat Napoleons imperialistische veroveringspolitiek niet werd ingegeven door de noodzaak zijn zeven broers en zusters met aanhang aan tronen en troontjes te helpen, hij wekte soms wel die indruk.

Hij gedroeg zich als een mediterraan clanhoofd met alle bijpassende clichés, onophoudelijk bestookt met eisen door zijn dreinende broers en zusters, en ook steeds zoekend naar mogelijkheden om aan die wensen, hoe onredelijk ook, tegemoet te komen. Als vader ons eens kon zien – `si Babbù ci vidi' – fluisterde hij broer Joseph toe in Corsicaans patois, bij de zelfkroning in de Notre-Dame. Eén van de makkelijkste manieren om hem tot outsider te verklaren was en bleef dat hij helemaal geen Fransman was, maar een Corsicaan, een Italiaan of zelfs – aldus Chateaubriand – een halve Afrikaan. De precieuze douairières tijdens de Restauratie noemden hem – inmiddels veilig weggestopt op Sint-Helena – nog altijd op z'n Italiaans Buonaparte. Ze vergaten daarbij gemakshalve dat dat parvenu-aspect sterk had bijgedragen aan de populariteit van Napoleon bij de gewone soldaat en het grote publiek. Het verhaal van de kleine korporaal die vrijwel uit het niets tot grote hoogte was gestegen, bood zoals gezegd juist de dagdromende gewone man allerlei mogelijkheden tot identificatie.

Napoleon dankte zijn loopbaan volledig aan de revolutie. Terwijl zijn klasgenoten op de militaire academie vrijwel allemaal trouw bleven aan hun eed op de koning, koos hij de kant van de revolutie. Hij werd geprotegeerd door Augustin Robespierre, de broer van Maximilien. Militair maakte hij naam door Toulon in 1793 op de Engelsen terug te veroveren. Zijn grote kans kreeg hij tijdens de Italiaanse veldtocht van 1796-1797. Dan zien we hem al – residerend op het paleis Mombello bij Milaan – in de rol die we later zo goed kennen, als middelpunt van een echt hof, waar hij – behalve door de vertrouwde zwerm familieleden – ook wordt omringd door een kring van kunstenaars en wetenschappers. Die culturele entourage is er ook bij zijn expeditie naar Egypte, die militair op een mislukking uitdraait maar wel de grondslag legt voor de moderne egyptologie. De rollen zijn even omgedraaid als Egypte juist het modebewuste Parijs blijkt te veroveren.

Bonaparte verlaat Egypte als een dief in de nacht om, 30 jaar oud, in Parijs de macht aan zich te trekken. Of hij de revolutie daarmee heeft gered, beëindigd of juist verraden, is nog altijd een punt van discussie. De machtsgreep zelf verloopt uiterst precair. Het is een van die momenten waarop de geschiedenis gemakkelijk een andere loop had kunnen nemen: een echt politiek moment kortom. Napoleon had op dat moment suprême zijn dag niet (hij viel zelfs voor het front van de troepen van zijn paard), maar broer Lucien bewaarde zijn kalmte en redde de situatie. Napoleon wordt in 1799 eerste consul, een van de vele verwijzingen naar de klassieke Oudheid waarvan die periode doortrokken is. De kritische Madame de Staël kijkt door de verpakking heen en weet wat ze voor zich ziet: Robespierre te paard.

In een beroemde uitspraak uit die tijd verklaart Napoleon: `We hebben de roman van de revolutie beëindigd, we moeten nu met haar geschiedenis beginnen.' De tijd voor dagdromen is voorbij, het gaat voortaan om daden en om feiten. In het voetspoor van Rosanvallon speelt Englund met het onderscheid dat de Franse taal maakt tussen le politique en la politique. La politique is dan politiek in de zin van strijd en verdeeldheid, waaraan Napoleon rigoureus een eind maakt. Le politique is de macht zelf en het belang van de staat, waarvan hij zich de belichaming voelt. Op uiterst behendige wijze weet Napoleon de belangen van de Franse staat en de sentimenten van de Franse natie te verbinden met een persoonlijke messiasrol. Welke belangen door zijn machtsgreep van 18 Brumaire werden gediend, wordt al snel duidelijk. In plaats van het ongecompliceerde Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap uit het begin van de revolutie, ligt de nadruk nu op gelijkheid voor de wet en op de bescherming van het bezit. De belangen die Napoleon verdedigt zijn die van La France propriétaire. Verder wil hij de diepe wonden helen die tien jaar revolutie hebben geslagen. Met de revolutionaire moderniteit als vertrekpunt probeert hij de sociale orde te herstellen. De vertegenwoordigers van de oude elite, het ci-devant Frankrijk, die het land massaal hadden verlaten, krijgen de gelegenheid voor een comeback, met name door de amnestie van 1802.

Zeer belangrijk is het herstellen van de relatie met de katholieke kerk door het Concordaat van 1801. Na de harde ontkersteningspolitiek van de Revolutie, culminerend in Robespierres weinig succesvolle cultus van de Rede, was dit een belangrijke stap. Toch moet die niet worden misverstaan. Het Concordaat was een compromis tussen de Revolutie en de rooms-katholieke kerk. Daarbij werd de laïcité die de revolutie had gevestigd nadrukkelijk gehandhaafd. En die laïcité werkt ook nu in Frankrijk nog sterk door, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de hoofddoekjeskwestie.

Met 18 Brumaire beginnen Napoleons vruchtbaarste jaren van staatsvorming, de jaren van het Consulaat. Het accent ligt op de bestuurlijke en vooral juridische modernisering van Frankrijk. De Code civil, het burgerlijk wetboek, is daarvan het belangrijkste resultaat. Het is, zegt Englund, de eigenlijke grondwet van het napoleontische Frankrijk. Napoleon persoonlijk heeft in dat wetgevingsproces een actief aandeel. En het resultaat is – net als zijn militaire bulletins – zo leesbaar dat de schrijver Stendhal elk jaar de Code civil van kaft tot kaft doorleest, louter vanwege de stijl . Met deze `blokken van graniet' legt Napoleon de grondlagen voor het moderne Frankrijk. Hij vestigt – of bevestigt, als erfgenaam van de absolute monarchie – daarmee tradities die de Franse bestuurscultuur tot vandaag kenmerken: etatisme, dirigisme en bureaucratisch centralisme.

Napoleons leven omvat dus heel wat meer dan een `enkele reis Waterloo'. Behalve de grondslagen voor het moderne Frankrijk heeft de gelijkschakelende Franse veroveringspolitiek van het Grand Empire ook de voorwaarden geschapen voor de Duitse en de Italiaanse eenwording. En daarmee op termijn ook voor de twintigste-eeuwse Europese integratie. Daar staat tegenover dat zijn verlicht-uniformerende politiek ook de nationalistische tegenkrachten hielp oproepen die het Europa van de negentiende eeuw hebben gedomineerd en die in de twintigste eeuw zijn ontaard. Op complexe wijze kan Napoleon dus zowel worden geassocieerd met het nationalisme dat het drama van de twintigste eeuw veroorzaakte, als met de Europese integratie die dat drama probeerde te overwinnen.

Deze compexiteit van de figuur en van de wereld die hij naliet maakt het misschien begrijpelijk dat Frankrijk nog steeds zo'n moeite heeft met zijn napoleontische verleden. Dertig jaar geleden verkondigde de Franse historicus François Furet: 'La Revolution française est terminée'. Daarmee bedoelde hij dat de revolutie nu voltooid verleden tijd was en een gedeelde herinnering geworden voor alle Fransen. Hoewel er in rechtse milieus nog wat werd nageprutteld omdat de revolutie toch uiterst gewelddadig was geweest, sloeg deze bezweringsformule in brede kring aan. De succesvolle viering van de bicentenaire was daarvan het bewijs. Maar voor de napoleontische fase, Consulaat en zeker Keizerrijk, geldt die consensus veel minder.

Het monarchale presidentschap van De Gaulle en zijn Vijfde Republiek trok in veel opzichten de lijnen door van het Consulaat en het Keizerrijk. Misschien is het dus de schim van Napoleon zelf die nog altijd boven het hedendaagse Frankrijk zweeft. We moeten ons dan ook niet te veel laten afleiden door die eigentijdse vergelijking met Hitler. Het gaat in Frankrijk nog steeds om spanningen en tegenstellingen die de Franse cultuur en politiek al twee eeuwen beheersen, en bij Napoleon – anders dan bij de Revolutie – om een verleden dat kennelijk nog helemaal niet verwerkt is, maar juist volop leeft.

Steven Englund: Napoleon. A political life. Scribner, 574 blz. €33,41