VS praten folteren juridisch goed

Na 11 september 2001 heeft de regering Bush uit angst voor een meedogenloze vijand gekozen voor de alles-mag-logica van de totale oorlog, meent David Ignatius.

`Onze mensen kregen opdracht om zich aan de wet te houden. Dat moet toch een troost voor u wezen', zei president Bush vorige week bits op een vraag over een rechtskundig advies van het ministerie van Justitie dat ruwe verhoormethoden toestond.

Dankzij de Post, die de complete tekst van dat rechtskundig advies uit augustus 2002 afgelopen maandag op zijn website heeft gezet, kunnen wij het nu zelf nalezen. Bij het lezen van de formalistische uitleg over waarom ,,iemand alleen maar pijn of leed toebrengen'' geen foltering is, begin je te begrijpen waarom minister van Justitie John Ashcroft vorige week weigerde dit advies zelf vrij te geven – en waarom Bush' beschrijving ervan zo misleidend was. Op zijn dorre, juristerige manier is dit document net zo schokkend als de foto's uit Abu Ghraib.

In tegenstelling tot wat Bush zei was het niet zo dat het memo van Justitie de wetten die foltering verbieden, onderschreef. Neen, het was een juridische interpretatie die uitlegde hoe ondervragers van de CIA aansprakelijkheid onder die wetten konden vermijden, zelfs als zij methoden hanteerden die doorgaans als foltering zouden worden beschouwd.

Voor een goed begrip van dit memo is enige achtergrondinformatie nuttig.

Het is geschreven op verzoek van de CIA, die uitdrukkelijke instemming van het Witte Huis wenste alvorens ruwe ondervragingsmethoden te gebruiken tegen Al-Qaeda-verdachten in Guantánamo Bay. Het kwam erop neer dat de medewerkers van de CIA niet wilden opdraaien voor het beleid van de president, en daarom een schriftelijke bevestiging wensten. De hoogste interne jurist van het ministerie van Justitie, onderminister generaal Jay S. Bybee, antwoordde namens het Bureau voor Juridisch Advies. Aan de hand van drie basisargumenten verzekerde zijn memo de ondervragers dat zelfs als zij gevangenen pijn en en leed aandeden, zij aan gerechtelijke vervolging konden ontkomen. Allereerst analyseerde het memo de strekking van paragraaf 2340 van het Amerikaanse Wetboek van Strafrecht, die foltering in het buitenland verbiedt – die wordt omschreven als iedere handeling ,,die uitdrukkelijk bedoeld is om iemand in detentie of die men lijfelijk in zijn macht heeft [...] ernstige lichamelijke of geestelijke pijn of leed toe te brengen''.

Met de afgrijselijke, kille precisie van de jurist bracht het memo hiertegenin dat ,,alleen maar'' pijn niet genoeg was: ,,Om te gelden als foltering, moet lichamelijke pijn in hevigheid gelijk staan aan de pijn van ernstige lichamelijke kwetsuren, zoals het niet functioneren van een orgaan, verlies van lichamelijke functies of zelfs de dood.''

Dat was de eerste verdedigingslinie voor folteraars die toestemming kregen van het Witte Huis: zolang zij maar ,,heel bar optreden'' en ,,extreme handelingen'' vermeden, zouden zij goed zitten.

De tweede verdedigingslinie hield in dat de bevoegdheden van de president bij het voeren van oorlog normale strafrechtelijke bepalingen te boven gaan. ,,Als opperbevelhebber heeft de president de grondwettelijke bevoegdheid om bevel te geven tot de ondervraging van vijandelijke strijders'', stelde het memo. Derhalve zou ieder juridisch streven ,,dat ingaat tegen presidentiële besluiten over essentiële oorlogskwesties als de detentie en ondervraging van vijandelijke strijders, ongrondwettig zijn''.

De derde verdedigingslinie was dat zelfs als ondervragers ooit van folteren zouden worden beschuldigd, zij bijzondere verzachtende omstandigheden zouden kunnen aanvoeren, zoals ,,noodzaak'' of ,,zelfverdediging''. Die factoren ,,zouden mogelijkerwijs de strafrechtelijke aansprakelijkheid verminderen'', zelfs als een ondervragingsmethode ,,aannemelijkerwijs de grenzen, gesteld in paragraaf 2340, zou overschrijden''. Anders gezegd: zelfs als je de wet overtreedt, kunnen we je nog vrijpleiten.

Dit memo van het ministerie van Justitite was bedoeld om CIAondervragers gerust te stellen wat betreft het toebrengen van pijn en leed aan gevangenen. Als zij toch nog scrupules hadden, konden zij een beroep doen op de procedure `uitlevering'. Die nuchtere term slaat op het gebruik van de CIA om onwillige Al-Qaeda-verdachten te overhandigen aan Egypte, Syrië, Saoedi-Arabië of andere landen waarvan bekend is dat ze foltering toepassen. Die lui hebben geen Bureau voor Juridisch Advies, en zij zitten niet met een paar verdwenen vingernagels of gebroken botten.

Het verbod op folteren is niet alleen een ethische maar ook een praktische zaak. Waarom? Denk aan het dreigement dat vorig weekeinde is uitgesproken door Al-Qaeda-ontvoerders in Saoedi-Arabië: ,,Wij hebben het recht om [Amerikanen] net zo te behandelen als zij onze mensen behandelen.''

Toen het schandaal over Abu Ghraib losbarstte, probeerden hoge functionarissen van de regering-Bush de zaak af te doen als het werk van ,,een paar rotte appels''. Het wordt echter steeds duidelijker dat het probleem niet in de appels zit, maar in de mand. Abu Ghraib was een bijzonder sprekend, afgrijselijk voorbeeld uit een baaierd van wrede verhoormethoden die uitdrukkelijk door de autoriteiten zijn goedgekeurd.

De formalistische frasen van een gerespecteerd jurist – Bybee is nu een federale rechter – doen ons weer eens beseffen hoezeer Amerika door 11 september 2001 uit het lood is geslagen. Uit angst voor een dodelijke, meedogenloze vijand heeft de regering-Bush gekozen voor de alles-mag-logica van de totale oorlog.

Drie jaar na 11 september moet Amerika zijn evenwicht zien te hervinden.

Wij moeten zorgen dat de frasen waarmee Bush vorige week kritiek van de hand wees, weer betekenis krijgen: ,,Wij zijn een land van het recht. Wij houden ons aan de wet. Wij hebben wetboeken. Kijkt u maar eens naar die wetten, dat zal u misschien troost bieden.''

David Ignatius is columnist.

©Washington Post Writer's Group