Polens sociale geweten

,,Geen baan, geen huis, geen decoraties, geen organisatie''. Met die kwalificaties stuurde de Poolse geheime dienst in 1983 Jacek Kuron naar de rechter. Een ongevaarlijke tegenstander, zou men zeggen. En toch, maar heel weinig tegenstanders hebben de communistische geheime dienst méér hoofdbrekens bezorgd dan Jacek Kuron: hij werd drie keer gearresteerd, zat in totaal bijna negen jaar gevangen, stichtte het dissidente comité KOR in de jaren zeventig, werd in 1980 een van de kopstukken van de vrije vakbond Solidariteit. Aan de ronde tafel van 1988 was hij een van de democraten die de communisten tot – toen sensationele – concessies dwong. Na de val van het communisme werd hij Polens populairste politicus, minister in de eerste democratische regering in Oost-Europa en een van de grondleggers van de democratie in Polen. De peetvader van Solidariteit, is hij wel genoemd. En: het sociale geweten van Polen. En: de mentor van een hele generatie dissidenten. Sociaal, tolerant, gematigd – en gepassioneerd.

Kuron, vandaag op 70-jarige leeftijd in Warschau overleden, was dissident van nature. Een korte, stevige man met een vlezig gezicht, altijd gekleed in spijkerpak en T-shirt en altijd voorzien van een thermosfles – daar zat thee in, heette het, maar heel Polen wist dat er whisky in zat. Interviewers waren in de communistische tijd bij Jacek Kuron altijd welkom – als ze een fles meebrachten. Kuron was een volksheld zonder demagoog of populist te zijn. Een volksheld met waarheid in zijn bloed.

Hij begon als historicus en socioloog. Hij werd in de stalinistische vroege jaren vijftig communist, maar bijna tegelijkertijd dissident: al in 1953, toen hij bestuurslid was van de organisatie van `rode padvinders', werd Kuron uit de partij gegooid wegens koppigheid, namelijk de weigering zelfkritiek te uiten. In 1964 gebeurde dat voor de tweede keer. Ditmaal had hij een open brief met kritiek op de partij geschreven. Het kostte hem niet alleen zijn partijkaart, het leverde hem ook drie jaar gevangenisstraf op. Zijn tweede arrestatie, en zijn tweede gevangensstraf, overkwam hem in 1968: drieëneenhalf jaar draaide hij de cel in wegens het aanzetten tot studentenprotesten.

In 1976, na de arbeidersopstanden van Radom en Ursus tegen het bewind van partijleider Edward Gierek, stichtte Kuron KOR, het comité voor de verdediging van de arbeiders, een dissidentenorganisatie waaruit vier jaar later de vrije vakbond Solidariteit voortkwam. Zijn werk voor Solidariteit leverde hem bij de uitroeping van de staat van beleg in december 1981 zijn derde arrestatie op. Pas in 1984 kwam hij weer vrij. In 1988 nam hij namens Solidariteit deel aan het ronde tafel overleg dat een jaar later leidde tot de eerste half-vrije verkiezingen in Oost-Europa in ruim veertig jaar. In het eerste democratische kabinet, dat van Tadeusz Mazowiecki, was Kuron minister van Arbeid en Sociale Zaken.

De erenaam `het sociale geweten van Polen' dankte Kuron – een intellectueel die óók een man van de daad was – aan dat ministerschap (1989-1991, 1992-1993) dat trouwens minder succesvol was dan hij wenste; hij slaagde er bijvoorbeeld niet in de topcommunisten die in 1989 naar huis waren gestuurd hun riante pensioenen af te pakken. Maar hij zette wel een modern sociaal stelsel op. Een man met een hart voor de slachtoffers van de hervormingen van de jaren negentig: als minister deelde hij in de gaarkeuken soms persoonlijk de soep uit. Een intellectueel die tegelijkertijd ongemeen populair was. Een dissident tot het einde toe: hij was en bleef links, ook in een tijd waarin links met het gehate communisme werd geassocieerd dat hij zelf zo lang had bestreden.

    • Peter Michielsen