Islamitische zelfkritiek

Twee vooraanstaande moslimleiders hebben kort na elkaar harde maar terechte kritiek uitgeoefend op de islamitische gemeenschap in de wereld. President Pervez Musharraf van Pakistan spaarde in een recent opstel zijn `moslimbroeders' niet. ,,Bij de gedachte aan de rol van de moslims in de huidige wereld breekt mijn hart. We zijn ver achtergebleven in sociale, morele en economische ontwikkeling (...) en hebben geweigerd van anderen te leren of iets over te nemen. We moeten de barre realiteit onder ogen zien.'' Deze week ging de aftredend voorzitter van de Islamitische Conferentie Organisatie, de Marokkaan Abdelwahed Belkeziz, nog een stap verder. Op een bijeenkomst in Istanbul noemde hij de islamitische gemeenschap `onmachtig' en wees hij op de tegenstelling tussen het roemrijke verleden en het naargeestige heden van de islam. ,,Gisteren nog waren we sterk (...) Maar hier staan we nu, verspreid, verdeeld, verzwakt en vernederd.''

De reacties op de uitlatingen van Musharraf en Belkeziz, als ze er al waren, gingen verloren in de dagelijkse ruis over nieuwe moordpartijen in Irak, aanslagen in Saoedi-Arabië en de zoveelste wandaad in het Israëlisch-Palestijnse conflict. Met zelfkritiek kan de moslimwereld niet uit de voeten. Niet meer – want zelfkritiek was ooit, in de woorden van Belkeziz, ,,het kenmerk van het traditionele discours van onze edele voorgangers''. Een bewijs van het onvermogen om kritiek serieus te nemen en er beter van te worden vormt een rapport van het ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties, de United Nations Development Programme (UNDP), dat vorig jaar verscheen. De Arabische landen kwamen erin onder vuur te liggen. Ze raken steeds verder achterop bij de rest van de wereld. Het rapport laakte in scherpe woorden het gebrek aan vrijheid en democratie, de onderdrukking van de vrouw en de achterlijkheid op kennis- en onderwijsgebied. Het opmerkelijke was dat het was opgesteld door onderzoekers uit de Arabische landen zèlf. Het haalde de voorpagina's, maar verder gebeurde er weinig mee. Eenzelfde lot lijkt de woorden van Musharraf en Belkeziz beschoren.

Het westen kan geen instant-oplossing aandragen voor de problemen in de islamitische wereld. Maar hulp bieden bij sociaal-economische vooruitgang, al was het maar uit eigenbelang, is het minste wat kan en moet. De gematigde islam dient in woord en daad te worden bijgestaan. Een land als Turkije, dat lid wil worden van de Europese Unie – premier Tayip Erdogan kwam gisteren in Nederland zijn zaak bepleiten – ontwikkelt zich meer en meer tot een moderne moslimstaat en verdient om die reden steun. De drang tot democratisering en modernisering komt voornamelijk van binnenuit, zoals het hoort. De gang van zaken in Turkije contrasteert met die in de Arabische staten, waar verkalkte structuren een nieuwe aanpak in de weg staan. Dit raakt aan het plan van de Amerikaanse regering om het Midden-Oosten democratie te bezorgen. Export van de democratische gedachte naar een zo vastgeroeste regio, waar het anti-Amerikanisme ook nog eens tiert, is een vrijwel onhaalbare zaak. Het Midden-Oosten laat zich van buitenaf geen democratie opleggen, zeker niet gezien de omstreden manier waarop Washington zijn doel tracht te bereiken. De Amerikaanse aanwezigheid in Irak en Saoedi-Arabië speelt extremisten in de kaart. Met hun daden ondermijnen ze iedere vorm van verandering.

Arabische kritiek op de Verenigde Staten snijdt hout, maar dat maakt democratisering niet minder noodzakelijk. De critici moeten eerst hun eigen bijna-failliete boedel eens grondig inspecteren. De Arabische politieke leiders kunnen de handschoen oppakken die twee prominente moslimbroeders hun hebben toegeworpen.