Ga uit van krimpscenario's

Om de leefbaarheid in de Randstad op te krikken, moet geplande, nieuwe, grootschalige woningbouw van de baan en moet er gestreefd worden naar een inwonertal van niet meer dan 4 miljoen in 2060, menen Jan Dirk Dorrepaal en Steven van Schuppen.

`De vraag hoe we zouden willen dat Nederland er over vijftig jaar uitziet, wordt niet gesteld. Wel wordt het onwankelbare geloof in de groei beleden', aldus luidde de kern van de kritiek van Willem van Toorn op de Nota Ruimte (Opinie & Debat, 15 mei).

Maar de werkelijkheid is nog ernstiger. De nota is als toekomstvisie niet alleen slecht maar ook inhoudelijk ontoereikend en ondoordacht. Ook in economisch opzicht, zeker op de langere termijn. Wie de demografische factor serieus neemt, moet rekening houden met krimpscenario's en daar in de ruimtelijke ordening van vandaag al op anticiperen. `Ontwonen' en sloop bieden nieuwe mogelijkheden, zowel ecologisch als economisch.

Het is niet ondenkbeeldig dat de bevolkingsgroei in de komende halve eeuw sterk zal dalen. Twee factoren spelen daarbij een cruciale rol: huwelijksvruchtbaarheid en migratie. In de huidige prognosemodellen wordt nog uitgegaan van een continue huwelijksvruchtbaarheid van 1,75. Al bij een bescheiden daling naar 1,7 – volgens demografen niet onwaarschijnlijk – gaat het plaatje er beduidend anders uitzien.

Ook op een andere aanname in menig model, een constant positief migratiesaldo van 30.000, valt het nodige af te dingen. Immigratiestromen zijn wél te beteugelen en terug te dringen, mits restrictief beleid wordt ondersteund door langetermijnkeuzes op ruimtelijk-economisch gebied: welke economische activiteiten we wél en welke we niet in Nederland willen hebben. Keuzes voor een creatieve arbeidsmarktpolitiek, gericht op een verbreding van de arbeidsparticipatie, waarin niet de lasten maar de kansen van de vergrijzing centraal staan.

Want op het `spook' van de vergrijzing valt veel af te dingen. Een langere levensverwachting van de bevolking heeft als gunstige keerzijde dat mensen ook langer inzetbaar kunnen zijn in het arbeidsproces. En juist dat gegeven biedt mogelijkheden om de lage deelname aan betaald werk boven de 55 te bestrijden. Dat kan door generieke maatregelen, bijvoorbeeld door in kleine stapjes de pensioengerechtigde leeftijd te verhogen. Minstens zo interessant zijn specifieke oplossingen in aard en duur van het werk, waarbij ouderen in de luwte van het arbeidsproces als ervaringsdeskundigen nog jarenlang een belangrijke rol kunnen vervullen.

Niet alleen de vergrijzing is debet aan de smalle arbeidsbasis van de Nederlandse economie. De lage participatie van de beroepsbevolking in vergelijking met de ons omringende landen vindt met name zijn oorzaak in de extreem hoge aantallen arbeidsongeschikten en de hoge werkloosheid onder vooral allochtonen. In plaats van nieuwe ladingen economische immigranten aan te trekken, moet eerst de werkloosheid onder eerdere lichtingen worden aangepakt.

Het is curieus dat de mogelijke ruimtelijke gevolgen van deze discussie nog niet tot 's rijks planologen doorgedrongen lijken te zijn. Zo heeft het Ruimtelijk Planbureau vóór 2020 de bouw van maar liefst één miljoen nieuwe woningen als taak geformuleerd, niet in de laatste plaats in de Randstad.

Maar stel dat de huwelijksvruchtbaarheid daalt naar 1,7 en het migratiesaldo naar nul, dan telt de bevolking over 60 jaar 10 miljoen mensen. Dat betekent een gemiddelde afname van 100.000 inwoners per jaar. Als we ervan uitgaan dat de bezettingsgraad per woning niet veel verder zal zakken dan de huidige 2,2 personen, dan zijn jaarlijks 45.000 woningen nodig.

Betekent dat alleen slopen? Nee, huizen hebben een economische levensduur van 50 jaar. Vaak is de technische levensduur langer. De maatschappelijke levensduur van de woningvoorraad die de afgelopen decennia is gebouwd, zal daarentegen in veel gevallen juist korter zijn. Dat heeft te maken met de eenzijdige samenstelling (veel eengezinshuizen voor de babyboomgeneratie) als ook met de ligging (geconcentreerd in het westen des lands). Laten we er in dit denkmodel eens van uitgaan dat het gemiddelde tussen de technische en maatschappelijke levensduur uitkomt op de doorgaans gehanteerde economische levensduur van 50 jaar. Dat zou inhouden dat van de bestaande woningvoorraad (16 miljoen gedeeld door 2,2 gedeeld door 50 jaar) gemiddeld ruim 145.000 woningen per jaar voor sloop of renovatie/ herstructurering in aanmerking zouden komen: de eerder genoemde 45.000 voor sloop zonder vervanging, 100.000 voor herbouw/ renovatie/ herstructurering. `Ontwonen' zouden we deze nieuwe combinatie van sloop, herbouw en herstructurering willen noemen.

Om dit te bereiken moeten nieuwe grootschalige woningbouwlocaties in het westen des lands van de baan. Te veel verstedelijking is hier al snel fataal, dit in tegenstelling tot geaccidenteerde landschappen die in dit opzicht veel meer kunnen `hebben'. Bij verdere aantasting wordt onherroepelijk de – nu al zieltogende – kip met de gouden eieren geslacht. Het feit dat de Randstad vanouds het karakter heeft van een meerkernige netwerkstad avant la lettre rondom een miraculeus groen en open gebleven middengebied, vormt een belangrijke voorsprong ten opzichte van de grote klassieke eenkernige metropolen. Maar deze voorsprong dreigt in rap tempo in een achterstand te verkeren. Want nu al is de Randstad minder aantrekkelijk als hoogwaardig woongebied (en dus ook als vestigingplaats voor `kennisindustrie' en `cultuurindustrie') ten opzichte van vergelijkbare `netwerksteden', vaak van wat bescheidener omvang, bijvoorbeeld in Zuid-Duitsland en Noord-Zwitserland.

De Randstad kan een deel van de toegepaste en uitvoerende functies en activiteiten goed doorschuiven naar geconcentreerde stedelijke netwerken van geringere omvang op de verkeersassen naar de twee andere netwerksteden waarmee zij een driehoekige `megacity' vormt: Vlaamse Ruit en Keulen/ Rijn-Ruhrgebied. West Brabant (Breda-Tilburg) en het Knooppunt Arnhem Nijmegen (KAN) lijken de beste kandidaten.

De Randstad kan zich dan toeleggen op fundamentele research en productontwikkeling – bescheiden in het ruimtebeslag, met regio's als Eindhoven en Twente als nevencentra die op technische deelgebieden in dit opzicht al een positie hebben opgebouwd. En de Randstad moet zich natuurlijk meer dan ooit richten op de `cultuurproductie' die de noodzakelijke ambiance creëert voor de historisch gegroeide netwerkstad avant la lettre die zij kan en moet willen zijn.

Wie de leefbaarheid in het westen des lands beslissend wil opkrikken, moet radicaal te werk gaan: 4 miljoen inwoners in 2060 moet het streven zijn. Wat hier op korte termijn nog onvermijdelijk in het landelijk gebied bijgebouwd moet worden, mag slechts kleinschalig, licht, voorlopig en flexibel zijn, met chirurgische precisie uitgevoerd, gezien het kwetsbare `licht, lucht en ruimte' van het polderlandschap. Daarbij dient de ontwerpregie niet langer in handen te zijn van de stedenbouwkundige en de architect, maar van de landschapsarchitect.

De opgave is niet langer stadsvernieuwing maar landschapsvernieuwing met behoud en versterking van historische identiteit en ecologische kwaliteit. Daarbij moet al vanaf het begin rekening worden gehouden worden met langetermijnkeuzes. Waar nieuwe waterclaims en de deerlijke dras van de bodem gelden, mag niet langer plaats zijn voor klassieke, `zware' stedenbouw.

Vragen als: waar op termijn slopen, waar vernieuwbouw en hoe, moeten nu al gesteld worden om bij een toekomstige inrichting van stedelijk gebied tot nieuwe open en groene gebieden goed te kunnen aansluiten bij het bestaande natuur- en cultuurlandschap. Dus geen Grote Steden Vinex, geen – Rode – Contourenbeleid, geen Groene-Hartaanval, maar gewoon een Ontwoningsbeleid.

Jan Dirk Dorrepaal is ruimtelijk organisatiekundig adviseur en Steven van Schuppen is publicist over landschap, geschiedenis en ruimtelijke ordening.

    • Steven van Schuppen
    • Jan Dirk Dorrepaal