Eurotop: pendelen tussen rood en blauw

Steeds meer deelnemers en steeds meer talen: een Europese top stelt speciale eisen aan de staatshoofden, regeringsleiders en hun pendelende secondanten.

Grote tafelopstelling of de kleine? Anders gezegd: moeten vandaag en morgen tijdens de Europese top in Brussel alleen de regeringsleiders direct om de tafel zitten in het Justus Lipsius-gebouw of mogen zij geflankeerd worden door hun ministers van Buitenlandse Zaken? In het eerste geval zouden de ministers genoegen moeten nemen met een plek schuin achter hun premier of president.

Het is het verschil tussen een gezelschap van 25 of van 50 personen. Afgelopen vrijdag was dit nog een heikel punt van discussie voor de Ieren, die momenteel het voorzitterschap van de Europese Unie bekleden. Maar ze zijn er uit. Het is de grote opstelling geworden. En dus zal de uitbreiding van de Europese Unie met tien nieuwe lidstaten zich ook direct laten voelen bij wat nog altijd de belangrijkste vergadering in de Europese Unie is. Het gezelschap dat vandaag en morgen in Brussel bijeenkomt heeft qua omvang de limiet voor effectief vergaderen reeds vele malen overschreden.

Maar een Eurotop is dan ook geen doorsnee vergadering. Soms is het een menselijke stempelmachine van besluiten die in de voorafgaande maanden in zorgvuldig overleg tussen de 25 hoofdsteden en de Brusselse instituties zijn voorbereid. Soms is de top het ongewisse eindspel van een schaakwedstrijd die plotseling is veranderd in een pokerspel. Dat zijn de spannende momenten waarin het er voor de aanwezigen echt op aankomt. Dan kan er niet meer geleund worden op ambtelijke adviseurs, maar zullen ze het toch echt helemaal zelf moeten doen. In hun eigen taal, dat wel. Aan tafel kunnen vandaag en morgen twintig verschillende talen worden gesproken en – dankzij de tolken – beluisterd.

In de zaal zijn vier secretarissen aanwezig die nauwgezet bijhouden wat er wordt besproken. Om het kwartier loopt één van hen naar buiten om in een belendende zaal in het Frans of Engels verslag te doen aan de zogeheten antici, de verbindingsofficieren van de 25 verschillende lidstaten. Zij rapporteren op hun beurt via een eigen fax vervolgens aan de nationale delegaties die elders in het gebouw zitten. Zo sijpelt met een vertraging van gemiddeld drie kwartier door wat er tussen de regeringsleiders en ministers van Buitenlandse zaken wordt besproken.

Helemaal geïsoleerd zitten de vergaderaars overigens niet. Zij kunnen zo nu en dan een beroep doen op assistentie van buiten: naaste medewerkers die zich in de zogeheten 'rode zone' direct buiten de vergaderzaal ophouden en die in en uit kunnen lopen in de 'blauwe zone' waar de delegaties (Voor Nederland circa veertig mensen) zich ophouden.

Elk land beschikt over twee rode floaters, badges die de drager toegang geven tot de rode zone en vergaderzaal om hun minister zo nu en dan wat in te fluisteren. De bedoeling is dat daar bescheiden gebruik van wordt gemaakt. Daar zorgen de onderhandelaars (die ten behoeve van de herkenbaarheid voor de bodes een speldje op de revers dragen) ook zelf wel voor, want de regeringsleider die permanent om bijstand vraagt, toont zijn zwakte.

Voor degenen die het echt niet zelf aankunnen worden meer inventieve oplossingen verwacht. Legendarisch is het verhaal van de Britse EU- ambassadeur John Ker die in 1991 tijdens de top van Maastricht verstopt zat onder de tafel om 'zijn' premier, John Major, bij te staan. Het ging lange tijd goed, totdat toenmalig voorzitter Ruud Lubbers plotseling van het Engels overschakelde op het Nederlands en Ker het niet meer meekreeg omdat hij onder tafel zonder tolkvertaling moest stellen. Volgens het ongetwijfeld in de loop der jaren geromantiseerde verhaal bepaalde Ker toen door het opgooien van een munt of Major ja of nee moest zeggen.