De Europese beker

De overeenkomst tussen het Europees kampioenschap voetballen en het Europees Parlement is het E-woord. Het verschil is dat Europese verkiezingen best belangrijk zijn en dat Euro 2004 de Europeanen in opperste vervoering brengt. Het is saai tegen emotie en dan wint de bal van de stem. Het EK-voetballen in Portugal toont aan dat Europa leeft als het maar rolt. De glorie van de overwinning en de bitterheid van verlies, de allesoverheersende commercie, de overkill van de media en het opgeklopte nationalisme doen de rest. Voetbal is identificatie, aanbidding en verguizing met sportieve helden, overschatte spelers en een enkele trainer als kop van jut.

Het Europees Parlement, waarvan de leden uit de EU-landen komen en niet uit alle landen die deelnemen aan het EK, is van een andere orde. De gemiddelde opkomst voor de verkiezingen van afgelopen week, 45 procent, was matig, de uitslag was radicaal. In vrijwel alle landen kregen de zittende partijen ervan langs. Fervent enthousiasme hebben deze verkiezingen niet weten op te roepen. Het Europarlement heeft dit deels aan zichzelf te wijten, deels ligt het aan de ondoorzichtigheid van de Europese instellingen. Bijna iedereen is voor Europa in praktische gedaante, maar de Europese constructie noodt niet uit tot identificatie. Het Europees Parlement zal nooit de uitstraling krijgen van het Binnenhof, de Bundestag of Westminster.

Een aantal hinderlijke kwesties had het Europarlement zelf moeten oplossen. Ten eerste de absurde maandelijkse trek van europarlementariërs van Brussel naar Straatsburg en de locatie van de helft van de staf van dit parlement in Luxemburg. Een zesde deel van het budget van het Europees Parlement wordt aan dit reizende circus besteed meer dan 200 miljoen euro per jaar. De meeste Europarlementariërs gruwen hiervan, maar zeggen machteloos te zijn omdat de Europese raad van regeringsleiders met unanimiteit over de zetels van het parlement beslist en daar houdt Frankrijk vast aan Straatsburg. Maar de parlementariërs hadden een blokkade kunnen opwerpen voor de vrachtauto's die de documenten heen en weer vervoeren, of zich kunnen vastketenen aan hun wanstaltige gebouw in Brussel. Dat is bij mijn weten nooit gebeurd.

Ten tweede is er het vergoedingenstelsel dat uitnodigt tot creatief gebruik. De nationaal bepaalde salarissen van de europarlementariërs lopen zo ver uiteen en zijn voor afgevaardigden uit de nieuwe lidstaten zo extreem laag, dat compensatie door declareren en incasseren aangemoedigd wordt als rationeel economisch gedrag. Het minste wat van europarlementariërs verwacht kan worden is dat ze allemaal dezelfde vergoeding krijgen, gebaseerd op de kosten van levensonderhoud in Brussel, en niet op die in Riga of Rome.

Lastiger ligt het met de tolkenkwestie. Het is een goed recht dat afgevaardigden in hun eigen taal kunnen spreken. Maar met 25 lidstaten en 18 talen is het Europees Parlement een toren van Babel. De afwezigheid van een gemeenschappelijke taal beperkt de media-belangstelling voor debatten in het parlement en holt de politieke betekenis van het parlement uit. Het is spijtig, maar hier is geen oplossing in zicht.

Ten slotte is het Europarlement met 732 afgevaardigden te groot. In India, met meer dan een miljard inwoners, telt het parlement minder leden en in de Verenigde Staten, met vijftig deelstaten, is het Huis van Afgevaardigden kleiner. De zittende europarlementariërs doen veel nuttig werk en ze hebben aanzienlijk meer macht dan vroeger, maar halvering van het Europees Parlement zal hun invloed vergroten.

Ter illustratie van het belang van de Europese instellingen wordt vaak gememoreerd dat een groot deel van de nationale wetgeving tegenwoordig uit Brussel komt. Dat is waar, maar het gaat in hoofdzaak om de interne markt, landbouw en technische kwesties. De brandende thema's van de politiek onderwijs, sociale zekerheid, gezondheidszorg, nationale begroting, veiligheid, inburgering, buitenlands beleid – hebben een Europese dimensie, maar worden in de lidstaten bepaald. Daar gaat de nationale politiek over, en dat beseffen kiezers. Een verkiezingscampagne voor een `sociaal Europa', zoals de PvdA die in Nederland voerde, slaat nergens op. Het Europarlement gaat niet over de sociale zekerheid van de lidstaten.

De uitslagen tonen dat de kiezers zich door nationale sentimenten en niet door Europese thema's hebben laten leiden. De Britse kiezers bezorgden Labour een nederlaag, omdat ze zich uitspraken tegen het Irak-beleid van premier Blair. Dat is Brits beleid, er bestaat (nog) geen gemeenschappelijk Europees buitenlands beleid en het Europarlement heeft er niets over te zeggen. Zo ook in Duitsland met de proteststemmen tegen Schröder of in Frankrijk tegen Chirac. In veel landen waren eurosceptische partijen succesvol. Het is een signaal van de Europese vervreemding. Dat moet de regeringsleiders aan het denken zetten nu ze zich opmaken om dit weekeinde in Brussel de onderhandelingen af te ronden over de nieuwe Europese grondwet. Zowel bij mislukking als bij succes kan het anti-Europese sentiment onder de bevolking worden versterkt.

Kan het anders? Is het denkbaar dat er een Europese campagne komt, met Europese thema's en Europese partijen? Het helpt symbolisch als de Europese verkiezingen in alle lidstaten op dezelfde dag worden houden. Nederland moet zijn verzet tegen stemmen op de dag des Heren in Europees verband opgeven. Maar veel zal dat niet uitmaken. Europese verkiezingen blijven bepaald door nationale sentimenten. Dit is een overeenkomst met het EK-voetballen. Ook daar spelen nationale elftallen tegen elkaar. Voor de Europese beker, dat wel.

rjanssen@nrc.nl