Snelle euthanasie

Een zwarte kraai die een nog levende houtduif onthoofdt. Geen brute moord maar euthanasie, blijkt bij onderzoek van het duivenlijk.

Nog maar een paar jaar geleden kon ik – gewaarschuwd door een doffe dreun tegen de ruit – op mijn gemak van mijn werkplek opstaan en naar buiten lopen om een vogel die zich had doodgevlogen tegen de glazen gevel van het Natuurmuseum Rotterdam op te halen. Ik had als conservator geen klagen: de laatjes en weckpotten in het collectiedepot vulden zich langzaam maar gestaag met merels, koolmezen, houtsnippen, wilde eenden en andere onfortuinlijke raamslachtoffers.

Tegenwoordig stagneert de aanwas, en niet doordat er minder vogels met het spiegelende gebouw in aanvaring komen. Nee, er is sprake van broodroof. Sinds de zwarte kraai (Corvus corone) zich steeds meer als stadsvogel gedraagt en ook het Museumpark bewoont, heb ik een geduchte concurrent.

Het zijn er een stuk of zes – een broedpaar en wat rondschooierende vrijgezellen – en zij hebben de glazen gevel als vaste voedselbron ontdekt. Ze moeten erop zitten te azen, vanuit de boomtoppen of vanaf de dakrand van onze buren, het Erasmus Medisch Centrum, want luttele seconden na een vogelaanvaring duiken zij op. Bij kleine pietjes heb ik direct het nakijken en grotere raamslachtoffers worden binnen de minuut, vaak in eendrachtige samenwerking, uit elkaar getrokken en deels opgegeten. Soms denk ik dat ze mij en mijn verzamelgedrag ook kennen en zich juist daarom rothaasten. Wat de aasetende kraaien achterlaten is zodanig gesloopt dat het niet meer voor opname in de collectie in aanmerking komt.

Kortgeleden, op een donderdagmiddag, was ik getuige van een bijzonder geval van kraaienpiraterij. Om 12.51 uur hoorde ik een harde klap tegen het glas. Vanaf de kantoorverdieping stak ik direct mijn hoofd uit het raam: beneden op het met madeliefjes begroeide gazon zat een houtduif (Columba palumbus). Met half gespreide vleugels en op doorgezakte pootjes keek de arme vogel een beetje groggy in het rond. En ja hoor, vanuit mijn ooghoek zag ik hem al zitten, een zwarte kraai, in het gras op nog geen tien meter van de duif.

Ik voorzag een dramatisch tafereel en ervaring heeft mij geleerd dergelijke gevallen minutieus te documenteren. Met mijn camera in de aanslag daalde ik snel een verdieping af naar de grote tentoonstellingzaal met onbelemmerd uitzicht naar buiten. De kraai was al bij de versufte duif aangekomen en ging, zonder een seconde te aarzelen, effectief te werk. Hij plukte een paar veertjes uit de nek, en met drie welgemikte houwen onthoofdde hij de nog levende duif. Vervolgens ging Dr. Death met de kop in zijn snavel op de wieken, het zieltogende lichaam achterlatend. De hele actie duurde vanaf het moment van impact hooguit twee minuten, inclusief de onthoofding die nog geen tien seconden in beslag nam. Ik kon er welgeteld één foto van maken.

Ik verzamelde de duif die, afgezien van het ontbreken van de kop, uitwendig in perfecte staat was. De vraag die mij bezighield, was of de duif het zonder tussenkomst van de kraai (met kop dus) gered zou hebben. Was er sprake van brute moord of snelle euthanasie? Gezeten achter de snijtafel kon mijn collega Erwin Kompanje, een ervaren vogelpatholoog en bovendien medisch-ethicus van beroep, hierover uitsluitsel geven. ,,Wat een ravage'', sprak hij hoofdschuddend terwijl hij met een tissue een flinke plas bloed tussen de organen wegdepte, ,,dit duifje is op een snelle manier uit zijn lijden verlost, een schoolvoorbeeld van actieve levensbeëindiging zonder verzoek''.

Hij wees me met het puntje van zijn scalpel op een breuk in het borstbeen, een gekneusd hart en twee grote scheuren in de lever die de duif ten gevolge van de aanvaring met de ruit had opgelopen. Letsel dat op korte termijn zeker fataal zou zijn. De kraai handelde dus ethisch verantwoord.

Biologisch gezien is deze waarneming uitzonderlijk. De meeste zwarte kraaien eten ongewervelde dieren, aas, vogeleieren, allerlei plantaardige kost en pakken af en toe een levende jonge vogel of een klein zoogdier. Van predatie op volgroeide houtduiven ben ik drie beschreven gevallen tegengekomen. Van onthoofdingen geen enkele.

Ter documentatie van dit geval heb ik de houtduif in de collectie opgenomen onder catalogusnummer NMR 9989- 01827 als droge huid (balg) met de ingewanden op 70 procent alcohol. Het label vermeldt: Rotterdam, Museumpark, 3 juni 2004; jong maar volgroeid wijfje, ovarium niet ontwikkeld; maaginhoud verse eikenblaadjes; vleugel 253 mm, staart 160 mm; gewicht 412 gram (zonder kop).