Boeddhistische filosofie en bizarre originaliteit

In de Marokkaanse speelfilm Mille mois, die vandaag in première gaat, gaat de zevenjarige Mehdi voor het eerst naar de bioscoop. Daar ziet hij de Bruce Lee-film The Big Boss uit 1971. De volgende dag zien we hem enthousiast in de huiskamer staan, allerlei kungfubewegingen naspelend. Dit voorbeeld illustreert een aantal ideeën over films die gemaakt zijn in Hongkong, de Britse kroonkolonie die in 1997 terug werd gegeven aan China. Het laat zien dat Bruce Lee tot ver buiten Azië bekend was en zeer tot de verbeelding sprak. En het geeft ook aan dat de populariteit van Hongkongfilms in het Westen zich vooral beperkte tot het kungfugenre. Maar er werden en worden veel meer verschillende genres geproduceerd dan de vechtfilms uit de jaren zestig en zeventig die het liefst door Quentin Tarantino worden geciteerd en aangehaald als lichtend voorbeeld voor Kill Bill. Afgezien van wat vertoningen op filmfestivals zien we ze alleen nooit.

Het Hongkongse handelsbureau in Brussel stelde daarom een programma samen, dat morgenavond in het Filmmuseum begint en voorzichtig probeert het oude beeld te corrigeren. Het goede aan het uit tien films bestaande panorama, dat door zes Europese steden toert, is de enorme variatie aan genres die getoond worden. Er draaien actiefilms, melodrama`s, thrillers, horror- en politiefilms. Verder tonen een aantal films de bizarre originaliteit die in de Hongkong filmindustrie nog mogelijk is. Zo doet Running on Karma van Johnny To & Ka-Fai Wai nog het meest denken aan een traditionele kungfufilm, maar wordt er zo'n eigenzinnige draai aan gegeven dat het resultaat je ademloos achterlaat. Waar anders dan in Hongkong tref je een actiefilm aan die boeddhistische ideeën koppelt aan komedie, romantiek, horror en alle logica tartende gevechten? De in gevechtstechnieken getrainde monnik `Biggie' dankt zijn bijnaam aan zijn kolossale lichaam, dat hij tegenwoordig als stripper inzet. Hij is een soort Hulk, alleen is zijn lichaam niet met de computer gegenereerd maar bestaat het uit een ouderwets `bodysuit'. Biggie beschikt over een vervelende gave: hij ziet hoe mensen aan hun einde komen. Hij raakt betrokken bij een agente, wier lot hij probeert te beïnvloeden. Zij heeft een schuld uit een eerder leven, waarin zij een sadistische Japanse soldaat was. De film werpt de filosofisch/boeddhistische vraag op of de acties uit haar eerdere levens doorwerken in het heden. Zo ja, kan dit lot dan ontlopen worden? Dat deze kwestie uiteindelijk even belangrijk is als alle getoonde fysieke capriolen maakt van Running on Karma een ongewone actiefilm.

Heel anders, maar even intrigerend is de lyrische liefdesfilm The Floating Landscape van Carol Lai. Hierin verliest Maan haar vriend Sam aan een slopende ziekte (Sars?). Vol verdriet gaat ze in zijn geboorteplaats, een Noordchinese havenstad, op zoek naar de inspiratiebron van een van Sams kunstwerken. Daar ontmoet ze een jonge postbode, die haar helpt zoeken. Dit eenvoudige verhaal wordt gefilmd met een zinderende lyriek, waarin beelden van de natuur, objecten en gezichten hetzelfde worden behandeld. De toon die de film aanslaat is heerlijk weemoedig. The Floating Landscape heeft ook weer een serieuze ondertoon. Ditmaal gaat het over rouwverwerking en de vraag wanneer rouw en terugblikken naar het verleden een nieuwe toekomst in de weg zitten.

Eenzelfde gevoel voor sfeer blijkt uit Going Home van Peter Chan, de Hongkongbijdrage aan een Aziatisch spookverhalendrieluik. Door het bijzondere gebruik van geluid en omdat de camera in handen was van vaste Wong Kar-wei cameraman Christopher Doyle steekt Going Home esthetisch uit boven het toch al hoge niveau van de overige films.

Evenals in Running on Karma en The Floating Landscape speelt de dood in Going Home een grote rol. Een man bewaart al drie jaar zijn dode vrouw in een bad vol geneeskrachtige kruiden in de hoop dat zij zal herrijzen. De film biedt echter geen morbide horror maar een verhaal van hartstochtelijke liefde.

Dat de dood in de drie genoemde films een grote rol speelt zou je kunnen verklaren met een beroep op de filmtraditie in Hongkong. Zulke verhalen zijn daarin nu eenmaal gewoner. Een stoutmoediger verklaring is gelegen in de impact van de Sars-epidemie, die zowel productioneel als inhoudelijk sporen heeft achtergelaten in de speelfilmindustrie. Zo zijn er in 2003, toen Sars heel China in zijn greep hield, veel minder films geproduceerd. Terwijl het na de economische crisis in Azië net weer wat beter ging. In 2004 worden er naar schatting weer zo'n 130 films gemaakt, dertig procent meer dan in 2003. Of de tien die er nu in dit programma draaien een representatief beeld geven van die productie is moeilijk te beoordelen. Het smaakt echter naar meer.

Hongkong Filmpanorama. 17 t/m 30 juni. In: Filmmuseum, Amsterdam.