`Blauwe hand' in IJsland uitgewerkt

De IJslandse premier David Oddsson heeft moeite met de modernisering van het land, die hij zelf is begonnen.

De IJslandse premier David Oddsson noemde hem ,,vermoedelijk de grootste belastingfraudeur uit de geschiedenis van het land''. Jon Olafsson, een in Engeland wonende IJslandse zakenman, reageerde met een aanklacht wegens smaad en maandag verklaarde de rechter in Reykjavík de uitlating van Oddsson ,,dood en ongeldig''.

De uitspraak is een pijnlijke nederlaag voor Oddsson die het al een jaar aan de stok heeft met de nieuwe zakenelite van IJsland. Jon Olafsson, die drie miljard IJslandse kronen (33 miljoen euro) belastingschuld zou hebben, verkocht afgelopen herfst zijn verlieslijdende commerciële tv- en radiobedrijf Nordurljos (Noorderlicht). De transactie werd in een dag in Reykjavík afgewikkeld, waarna Olafsson terugvloog naar Engeland, onbereikbaar voor de IJslandse belasting. Oddsson sprak geïrriteerd over Noorderlicht als ,,gestolen goed''. Olafsson, tegen wie geen vorderingen of aanklachten lopen, achtte zijn goede naam aangetast en de rechtbank was het daarmee eens.

Norderljos werd overgenomen door een bedrijf dat Frettabladid (Nieuwsblad) uitgeeft, een gratis aan huis bezorgd dagblad dat het afgelopen jaar in een klap de grootste krant van IJsland werd. De uitgever van Frettabladid is sinds begin dit jaar ook eigenaar van het dagblad DV dat eind vorig jaar failliet ging. Deze concentratie van media bij een bedrijf is volgens Oddsson `gevaarlijk'. IJsland heeft maar één ander landelijk dagblad, Morgunbladid, dat nauw verbonden is met Oddssons conservatieve Onafhankelijkheidspartij.

De premier, tevens partijleider, reageerde dit voorjaar met een omstreden mediawet waarin dergelijke concentraties aan banden worden gelegd. De wet leidde tot felle protesten en 30.000 handtekeningen onder een petitie aan president Olafur Ragnar Grimsson om de `Noorderlichtwet' niet te tekenen. Het staatshoofd gaf daaraan gehoor en sprak daarmee voor het eerst in het 60-jarig bestaan van de republiek zijn veto uit.

Oddsson, die al ruim dertien jaar premier is, gaf de afgelopen jaren leiding aan modernisering van de IJslandse economie. De traditioneel grote invloed van de staat werd beknot, ondermeer door de privatisering van de twee staatsbanken. Maar de premier heeft krachten losgemaakt die hij niet langer kan beheersen: de nieuwe elite van veelal in de Verenigde Staten opgeleide managers doet zaken zoals haar goeddunkt en reageert nauwelijks op de wenken van de regeringschef – een verschijnsel dat bekend is als `de blauwe hand', naar de kleur van Oddssons partij.

Eind vorig jaar haalde Oddsson woedend zijn spaartegoed van ruim 4400 euro van de voormalige staatsbank Bunadarbankin nadat was uitgelekt dat twee bankdirecteuren via opties na een half jaar ruim drie miljoen euro konden opstrijken. De premier vond een dergelijke extreme verrijking ,,een uitdaging aan de [egalitaire] traditie'' van de IJslandse samenleving en riep op tot een boycot. De directeuren trokken schielijk hun gerieflijke optie-regeling in.

In zijn strijd met de media boekte Oddsson niet zulke spectaculaire successen. De uitgeverij van Frettabladid is voor zo'n 40 procent eigendom van Jon Asgeir Johannesson, een andere moderne manager met wie de premier het al lang aan de stok heeft. Jon Asgeir, de topman van het grote supermarktconcern Baugur, zou ooit bij wijze van grap hebben gezegd dat Oddsson als het om corruptie gaat, met 300 miljoen kronen (ruim 3 miljoen euro) tevreden kon worden gesteld.

De premier die weinig om materiële rijkdom geeft en 's zomers in zijn bescheiden vakantiewoning graag korte verhalen schrijft, toonde zich diep beledigd. Hij boycot sindsdien journalisten van Frettabladid dat de premier voortdurend kritisch achtervolgt.

Oddsson, die op 15 september zijn premierschap overdraagt aan de minister van Buitenlandse Zaken Halldor Asgrimsson (leider van de coalitiepartner, de Progressieve Partij) ziet de macht uit zijn handen wegglippen. De IJslandse politiek en economie worden niet langer gedomineerd door een kleine elite van politici en bazen van ondernemingen als de (vroegere) staatsbanken, Eimskip (scheepvaart), Skeljunger (de lokale Shell) en Icelandair, de nationale luchtvaartmaatschappij. Oddssons voorheen gevreesde `blauwe hand' is alleen nog af en toe zichtbaar bij de staatstelevisie, die in december nog een volgens critici zwakke film uitzond op basis van een scenario van de premier.