Voetbal is ons beste imago

David Beckham is in de wereld populairder dan Tony Blair. De Brazilianen gebruikten Pelé als ambassadeur van Brazilië. Alleen de Nederlanders beseffen niet hoe essentieel het voetbal is voor het imago van Nederland in de wereld, zegt David Winner.

Wees niet verbaasd als honderden miljoenen buitenlanders die normaal gesproken geen moment stilstaan bij Nederland, je ineens aan het hart drukken. Het Nederlandse nationale elftal heeft zich geplaatst voor Euro 2004, en de komende paar weken zal Nederland een reusachtig internationaal tv-publiek betoveren en bekoren. Het team van Dick Advocaat – zo rijk aan talent en zo pover in de aanloop naar het toernooi – zal misschien slechts een schim blijken van zijn legendarische voorlopers. Maar zelfs als het faalt, zullen de spelers er in hun opvallende oranje shirts fantastisch uitzien. Zij zullen het slimme, mooie voetbal spelen waar Nederland om befaamd is. En het legioen fans zal worden bewonderd om hun warme, carnavaleske optreden.

Het briljante en vaak broze Nederlandse voetbal is een geweldige reclame voor Nederland en de Nederlandse cultuur als geheel. Maar in de wandelgangen van de macht, de diplomatie en het zakenleven lijken de Nederlanders nog niet te beseffen hoe essentieel het voetbal is voor het imago van Nederland in de wereld.

Want ja, welke Nederlanders zijn verder beroemd? Anne Frank natuurlijk, en een paar grote schilders. Maar voor de meeste buitenlanders zijn jullie voetballers de enige levende Nederlanders van wie ze ooit hebben gehoord. Je gelooft me niet? Probeert dan eens het volgende: ga naar een willekeurig land waar gevoetbald wordt (dat is eigenlijk overal, behalve in Noord-Amerika), hou op straat zomaar mensen aan en leg ze een paar Nederlandse namen voor.

Begin met namen als Balkenende, Beatrix en Mulisch, dan merk je gauw genoeg dat ze geen flauw idee hebben waar je het over hebt. Misschien krijg je te horen dat Philips een Frans bedrijf is en Unilever Brits. Shell – dat weet in Amerika iedereen – is Amerikaans.

Probeer het dan eens met Van Nistelrooy, Bergkamp, Seedorf, Gullit, Rijkaard, Koeman, Krol, Van de Kerkhof, Haan, Neeskens, Rensenbrink, Rep of Cruijff, en je ziet de gezichten oplichten. Van Peking tot Benin weet iedereen precies waar je het over hebt. Zij aanbidden en bewonderen die sterren, en beschouwen het feit dat zij Nederlanders zijn als een wezenlijk element van hun charme.

In heel Latijns Amerika boezemt de herinnering aan de naranja mecánica – zoals de sublieme Nederlandse totaalvoetbalploegen van de jaren '70 hier werden genoemd – nog altijd ontzag en genegenheid voor Nederland in. Johan Cruijff wordt niet alleen in Catalonië maar in heel Spanje op handen gedragen. In Ghana lopen straatjochies rond in voetbalshirts van Edgar Davids en Patrick Kluivert. En in Milaan krijgen stoere kerels vochtige ogen bij de naam Marco van Basten.

Het is merkwaardig dat in het voetbal de Hollanders doorgaan voor de `Brazilianen van Europa', maar kijk eens hoe Brazilië heeft geprofiteerd van de roem van zijn spelers. Brazilië had gemakkelijk een rottig internationaal imago kunnen krijgen als land van sociale tegenstellingen, geweld, milieuproblemen en corruptie. In plaats daarvan ziet de wereld Brazilië als een gelukkig land van zonneschijn, samba, mooie vrouwen en – bovenal – van wat Pelé `het mooie spel' heeft genoemd.

De Brazilianen hebben Pelé handig gebruikt als ambassadeur, niet alleen voor zijn sport maar ook voor zijn land. De Fransen hebben zo'n beetje hetzelfde gedaan met Michel Platini. Franz Beckenbauer, een vriend van Gerhard Schröder, doet nog altijd schitterend werk voor de Duitsers. David Beckham, die beroemdste Engelsman sinds de Beatles, is in de wereld populairder dan Tony Blair.

Maar de grote Nederlandse voetballers waren beter dan Beckham, en veel belangrijker voor de ontwikkeling van wat een van de belangrijkste cultuuruitingen van onze tijd is geworden. Gezamenlijk vormen de grote Nederlandse spelers en trainers een nationale schat, en het blijft raadselachtig dat het officiële Nederland zo weinig heeft gedaan om dat feit te erkennen en uit te buiten. Dat komt vermoedelijk vooral doordat voetbal hier nog altijd geldt als `lage' cultuur, niet te vergelijken met architectuur, beeldende kunst of literatuur. Maar eigenlijk belichaamt de unieke, doordachte Nederlandse stijl enkele van de meest fundamentele trekken van de nationale cultuur.

Een van de oorzaken waardoor spelers als Cruijff, Bergkamp en Van der Vaart slimme, originele dingen wisten te doen op een klein stukje veld, is dat de Nederlanders altijd, op alle andere gebieden, slimme en originele dingen hebben moeten doen met kleine beetjes ruimte.

De kunsthistoricus Rudi Fuchs ziet een verband tussen voetbal en tradities uit de schilderkunst en de perceptie. ,,In Italië is het catenaccio als een schilderij van Titiaan: soepel, verleidelijk, loom. De Italianen verwelkomen je, bedwelmen je en verleiden je met hun zoete omhelzing, en maken dan een doelpunt als een dolksteek. De Nederlanders construeren hun geometrische patronen. Op een Vermeer glinstert de parel; je zou zelfs kunnen zeggen dat bij Vermeer alles draait om de glinstering van de parel. Daar werkt het hele schilderij naartoe, net zoals het hele voetbal toewerkt naar de omhaal van Van Basten.''

De beeldend kunstenaar Jeroen Henneman wijst op iets nog geheimzinnigers: ,,De Nederlandse schilders hebben in hun werk altijd iets speciaals gezocht. Wanneer je een schilderij van Mondriaan of Saenredam of Vermeer ziet, doet het heel stil en fris en kalm en `ruim' aan. Als je dat naar het voetbal vertaalt, wil dat zeggen dat het gemakkelijk spelen is, omdat er meer ruimte is om de bal aan te nemen. In de tijd van Cruijff kregen de voetballers dezelfde ambitie als schilders. Ineens ging het er bij voetbal niet meer om dat je iemand tegen zijn schenen schopte. Na een wedstrijd had je het gevoel dat je iets heel bijzonders had gezien, dat niemand anders had kunnen zien. Als je er dan met anderen over praatte, bleek iedereen hetzelfde gevoel te hebben gehad. Er gebeurde iets spiritueels. Misschien heeft het te maken met het gevoel voor schoonheid waarmee voetbal in Nederland gepaard gaat. De schoonheid ligt in de ruimte en in het veld. Ze ligt in het gras, maar ook in de lucht erboven, waar ballen kunnen draaien en cirkelen en neerdalen, en bewegen als de planeten aan de hemel. Niet alleen op het veld. De manier waarop de lucht erboven zich plooit, telt ook mee. De Nederlanders proberen liever iemand te verslaan op een slimme en mooie manier dan met brute kracht.''

Winnen door schoonheid en slimheid: de Nederlandse voetballers zouden in de wereld een slechtere boodschap kunnen uitdragen.

David Winner is schrijver van het boek Brilliant Orange: The Neurotic Genius of Dutch Football.