Ouders staan buitenspel

Een beetje ouder wil het beste voor zijn kind. Op veel terreinen kan die ouder dat ook waarmaken. Op één terrein hebben ouders niets te vertellen: als het gaat om de schoolloopbaan van hun kind.

Vóór 1968 bepaalden de ouders – zeker de hoger opgeleiden – zelf naar welke middelbare school hun kind ging en door middel van toelatingsexamens vond een selectie plaats. Door de democratische revolutie in de jaren '60 kregen meer en meer mensen invloed op beslissingen, maar in het lager onderwijs voltrok zich een tegengestelde ontwikkeling: ouders werden in toenemende mate buitenspel gezet. De Cito-toets van groep 8, de Entreetoets (eind groep 7) en de ISI-toets (Intelligentie, Schoolvorderingen, Interesse) en het advies van de onderwijzer(es) bepalen steeds meer de schoolloopbaan van het kind.

Het wordt de hoogste tijd ouders meer inspraak te geven bij de schoolkeuze van hun kind. Scholen doen het altijd voorkomen alsof de onderwijzer(es) het kind zo goed kent. Heeft het niet één of twee jaar bij hem/haar in de klas gezeten en is dit geen garantie voor een goed advies? Zij vergeten dat de ouders het kind al twaalf jaar kennen. De omgekeerde vraag stellen scholen nooit: kan de leerkracht een kind niet te laag inschatten? Basisscholen zijn gauw geneigd te vergeten dat het schoolkeuzeadvies van de onderwijzer(es) ook door persoonlijke zaken beïnvloed kan worden. Een leerkracht die om welke reden dan ook een antipathie tegen de ouders of het kind koestert, kan snel in de verleiding komen een lager oordeel te geven, zogenaamd om het kind te beschermen tegen het falen in het middelbaar onderwijs. Scholen zullen overigens altijd ontkennen dat bij hun leerkrachten persoonlijke motieven een rol spelen. Met dat euvel zijn uitsluitend ouders behept.

Ouders kunnen hun recht op meer inspraak kracht bijzetten met een beroep op artikel 247 van het Burgerlijk Wetboek 1. Dit verplicht hen namelijk om de geestelijke belangen van hun kinderen zo goed mogelijk te behartigen. Wanneer zij denken dat dit geestelijk belang gebaat is bij een zo hoog mogelijke inzet na de lagere school, moet dat kunnen. Blijkt het kind toch minder te presteren, dan kan het altijd een stap terug doen. Het heeft dan echter wel een kans gehad. Met de emotionele schade voor de kinderziel valt het doorgaans wel mee. Die schade is erger, wanneer het kind voor zijn eigen gevoel onrechtvaardig behandeld wordt en enkele jaren tussen mindere goden moet doorbrengen.

Er is nog een argument dat pleit voor meer ouderinbreng. Dit is van praktische aard. Basisscholen doen gedurende alle acht leerjaren een beroep op ouderparticipatie. Ouders wordt gevraagd zitting te nemen in de kascommissie of in de ouderraad. Er zijn voorleesmoeders, opruimmoeders, overblijfmoeders en hulpmoeders. Zonder hun inbreng zouden veel basisscholen in grote problemen geraken, maar op het einde van groep 8 worden zij als onmondige kinderen behandeld.

Toegegeven, ouders kunnen terecht bij de klachtencommissie van de school. Maar klagen staat al snel gelijk aan zeuren. Te gemakkelijk wordt vergeten dat een beetje ouder het beste voor zijn kind wil.

Voor de onderwijsdeskundigen in de Tweede en Eerste Kamer ligt hier een mooie taak. Het is onbelangrijk of zij zich laten inspireren door uitgangspunten als individuele ontplooiing, eerlijke spreiding van kennis, macht en inkomen of het gebruik van talenten. Kinderen die willen presteren, verdienen een kans. Daar is de gehele samenleving mee gebaat.

Dr. Feiko H. Postma is historicus.