Oranje zit vooral van buiten

Welke mechanismen gaan schuil achter oranjegekte? Hoe kan het dat mensen die normaliter amper durven te zeggen trots te zijn op hun land en cultuur, tijdens een EK of WK zichzelf bekladden met oranje verf, hun straten behangen met oranje vlaggetjes en louter oranjekleurige snacks willen eten? Wat doet een `nuchtere' Hollander wild dansen voor een stoplicht als dat op oranje springt? Is het werkelijk alleen het voetbal dat zorgt voor tijdelijke collectieve verstandsverbijstering?

,,Voetbal lijkt inhaalnationalisme'', zegt Liesbet van Zoonen, hoogleraar media en populaire cultuur aan de Universiteit van Amsterdam. ,,Globalisering en europeanisering vergroten de behoefte aan gevoelens van gemeenschap en samenhang.'' Niet voor niets zie je volgens sportsocioloog Maarten van Bottenburg de oranjegekte vooral in overwegend blanke arbeidersbuurten. Globalisering vergroot het verlangen naar uniformiteit. Juist in arbeiderswijken is die hunkering naar saamhorigheid het grootst. ,,Daar wonen de verliezers van globalisering. De laaggeschoolde autochtone Nederlanders worden het meest op de proef gesteld. Eerst door migranten die hun blanke, vertrouwde samenleving en de arbeidsplek hebben doen veranderen en nu door de eenwording van Europa en globalisering.''

Het is volgens Van Bottenburg ook geen toeval dat vooral straten worden versierd, de buitenkanten van huizen, de auto's en zelden de woonkamers. De oranjegekte is naar buiten gericht. ,,Zo willen mensen aan elkaar laten zien dat ze met elkaar verbonden zijn.'' Het tijdperk waarin we leven, kent geen duidelijke vijandbeelden en nationalisme is de staatspolitiek vreemd, maar juist die verschijnselen wijzen volgens Van Bottenburg op het langzame verlies van de nationale identiteit. ,,En overdreven uitingen van oranjebinding fungeren als een soort compensatie voor dat verlies.''

Neem de Trompstraat in Alkmaar. Die is weer oranje, zoals gebruikelijk bij elk groot evenement waar het Nederlands elftal aan deelneemt. René Water (40) en zijn neven hebben hun straat, de ramen, de tuinen behangen met vlaggen, oranjekleurige folie en oranje dekzeilen. En dat terwijl Water zelf niet eens zo van voetbal houdt. Hij doet het voor het sfeertje. ,,Ik ben trots op mijn landje, zeker weten.'' Het feest in deze volksbuurt begint echt wanneer Oranje de kwartfinale haalt. Dan hangen ze in de Trompstraat een groot scherm op.

Maar aan oranjegekte moet je ook weer niet al te zwaar tillen, vindt Eggo Müller, docent en onderzoeker aan het Instituut Media en Representatie van de Universiteit Utrecht. ,,Het Nederlands elftal is voor veel Nederlanders een kans om te ontsnappen uit de sleur van het dagelijks leven. Het maakt hooguit duidelijk dat Nederlanders alles aangrijpen om een feestje te bouwen met kratten bier, puberabele agressie en onduidelijk gelal. Sport is een afgebakende cultuur met bijzondere gedragsregels. Je wordt zelfs geacht uit je dak te gaan. Alle systemen van zelfcontrole werken dan minder en dat wordt geaccepteerd.''

Müller, Duitser van komaf, ziet nergens anders een gekte vergelijkbaar met die in Nederland. Alleen wat de Denen doen, komt enigszins in de buurt. Maar zij feesten nadat er is gepresteerd, Nederlanders nog voordat de bal gaat rollen. ,,Nederlanders roepen dat ze de beste zijn, dat ze even de Cup gaan halen, terwijl ze zelden winnen'', weet Müller. En dat kan volgens hem duiden op een minderwaardigheidscomplex, een automatisme bij kleine landen met grotere buren. Belgen leggen niet voor niets de nadruk op hun betere beheersing van het Nederlands, terwijl dat juist hier in Nederland geen issue is. Volgens Müller zet Nederland zich af tegen het grote Duitsland met iets waar ze een beetje goed in zijn om zo een beter zelfbeeld te creëren.

Sportsocioloog Van Bottenburg vindt het niet zo vreemd dat de nationale gekte soms zo toeslaat als in Nederland en Denemarken. ,,Dit zijn twee kleine landen met een groots verleden, die tegenwoordig niet veel voorstellen. Ze willen zo laten zien dat ze nog meetellen, ook al weten ze eigenlijk wel beter.'' Als Fransen en Duitsers in dezelfde mate hun nationale trots zouden uiten, zou dat velen angst aanjagen, zegt de socioloog. ,,Het is maar Nederland. Onschuldig dus.''

Volgens Van Bottenburg kenmerkt de Nederlandse identiteit zich door een merkwaardige mengeling van scepsis en minderwaardigheidsgevoel enerzijds en trots en zelfoverschatting anderzijds. `Typisch Nederlands' heeft de negatieve betekenis van kleinburgerlijk, terwijl in Duitsland de term `undeutsch' voor iets staat dat negatief is. Tegelijkertijd vinden Nederlanders zich superieur aan anderen als het bijvoorbeeld gaat om tolerante en libertijnse waarden, meent de sportsocioloog. En gelooft Nederland dat Oranje het mooiste voetbal ter wereld speelt.

Sport heet te verbroederen. Ten onrechte, vindt Van Zoonen. ,,De maatschappelijk spanningen blijven. Hooguit hebben de schijnwer- pers zich voor even op iets anders gericht.'' Van Zoonen noemt het EK van 1988 toen `we' wonnen en blanke fans rastapruiken droegen van het model dat Ruud Gullit had. Maar het EK van 1996 was dramatisch. ,,Toen kregen de zwarte spelers van de `kabel' veel te verduren en waren er opeens weer die spanningen tussen zwarte en witte spelers.''

Nederlandse fans zijn opportunistisch, vinden Van Zoonen en Van Bottenburg. ,,Wij zijn geen Schotten'', zegt de hoogleraar. Die blijven feesten en achter hun team staan, ongeacht de resultaten. ,,Zodra Nederland is uitgeschakeld'', voorspelt de sportpsycholoog, ,,worden alle oranje vlaggen weer opgeborgen.''