Nieuwe opzet uitlevering is rampzalig

De recente wijziging van het uitleveringsrecht leidt tot bizarre situaties waar burgers de dupe van worden, gezien aan welke staten sinds 12 mei zo gemakkelijk overgeleverd wordt, menen G.P. Hamer en W.R. Jonk.

Op 12 mei jl. is het uitleveringsrecht gewijzigd en is de nieuwe Overleveringswet van kracht geworden. Sindsdien kent Nederland twee uitleveringsystemen: naar de 25 EU-lidstaten (vanaf dan genoemd `overlevering') en naar niet-EU-lidstaten. Door de nieuwe wetgeving heeft het eenwordingsproces van de Europese Unie zijn verdere intrede in het strafrecht gedaan. Hiervoor is een aantal klassieke Nederlandse beginselen opgeofferd, terwijl daar al bij de totstandkoming, in een versneld proces tijdens de hype na de aanslagen op de Twin Towers, vraagtekens bij werden gezet.

De belangrijkste doelstelling was versnelling van de procedure. Tot 12 mei duurde de uitleveringsprocedure gemiddeld acht maanden, terwijl de overleveringsprocedure maximaal 60 dagen mag duren. Hoewel er twee manieren zijn om een versnelling te bereiken, namelijk het inzetten van meer middelen of het schrappen van voorschriften, is gekozen voor het schrappen of aanpassen van grondbeginselen van ons uitleveringsrecht.

Ten eerste is de `toets van dubbele strafbaarheid' voor een groot aantal delicten afgeschaft. Deze toets houdt in dat een staat alleen een overleveringsverzoek honoreert als het feit waarvoor die overlevering wordt gevraagd, ook in ons land strafbaar is. De achterliggende gedachte is dat een staat alleen meewerkt aan de overbrenging van burgers voor vervolging van feiten, als zij die feiten zelf ook strafwaardig acht. In het verleden werden talloze uitleveringsverzoeken afgewezen, omdat niet voldaan was aan dat vereiste van dubbele strafbaarheid.

In de nieuwe wetgeving is er echter een lijst van 31 categorieën van delicten waarvoor de staat die het verzoek krijgt, niet meer mag toetsen of aan dat vereiste is voldaan. De delicten op de lijst zijn ruim omschreven en zullen dus in elke staat anders uitgelegd worden, terwijl een aantal niet voorkomt in ons strafrecht. Wanneer de verzoekende staat stelt dat iemand verdacht wordt van een lijstdelict, mag de toets van dubbele strafbaarheid niet worden aangelegd. Omdat de lijst zo lang is en de delicten zo vaag omschreven zijn, kunnen ook mensen die handel drijven met EU-lidstaten of vakantiegangers, van wie wordt gedacht dat zij iets misdaan hebben, eenmaal terug in Nederland met een overleveringsverzoek geconfronteerd worden.

Mensen zullen hierdoor overgeleverd kunnen worden voor feiten die hier niet strafbaar zijn. Zelfs mensen die in het verleden niet zijn uitgeleverd wegens het ontbreken van dubbele strafbaarheid, zullen alsnog kunnen worden overgeleverd. In extreme gevallen zou het zelfs zo kunnen zijn dat mensen worden overgeleverd die uitsluitend in Nederland (niet strafbare) handelingen hebben verricht. Nederland zou daarmee verworden tot een land dat burgers exporteert naar buitenlandse gevangenissen.

Ten tweede is het aantal instanties waarin een verzoek beoordeeld wordt verminderd. Een uitleveringsverzoek van een niet-EU-lidstaat wordt beoordeeld door de rechtbank en daarna vaak door de Hoge Raad en de minister van Justitie. In de nieuwe procedure is het uitsluitend de rechtbank in Amsterdam. Dat beoordeling door de rechtbank minder rechtswaarborgen biedt dan beoordeling door drie instanties, spreekt voor zich. Daarenboven: geen wettelijke regeling sluit uit dat één of twee van de drie rechtbankrechters die over het verzoek moeten oordelen, plaatsvervangend rechter zijn (een op zijn minst omstreden instituut).

Dat het niet uit te leggen valt dat over parkeerboetes in twee instanties geprocedeerd kan worden maar over een gedwongen vertrek naar een buitenlandse gevangenis slechts in één instantie, is evident.

Ten derde is sprake van een depolitisering van de overleveringsbeslissing. Uitlevering werd gezien als een zaak tussen soevereine staten die op regeringsniveau plaatsvindt. Daarom werd de uiteindelijke beslissing over de uitlevering genomen door de minister van Justitie. Dit uitgangspunt is verlaten en de overlevering wordt voortaan geregeld door justitiële autoriteiten onderling, zonder dat de regering daar nog bemoeienis mee heeft. Dit betekent dat als een Poolse officier van justitie iemand uitgeleverd wil hebben, zij dit kan doen door de collega's in Nederland direct te benaderen, terwijl uitsluitend een rechter over haar verzoek beslist.

Of wij het gewenst vinden dat op basis van een summiere toetsing Nederlandse burgers langdurig in abjecte gevangenissen grenzend aan Wit-Rusland verblijven, terwijl de beslissingen daaromtrent niet meer in de Tweede Kamer besproken kunnen worden nu die beslissing is weggegeven aan ambtenaren en aan één rechtbank, is zeer de vraag.

Dat gekozen is voor zo'n opoffering van belangen van burgers is onbegrijpelijk, zeker als wij zien aan welke staten vanaf 12 mei zo gemakkelijk overgeleverd wordt. De maatstaf voor EU-deelname is in hoofdzaak een politiek-economische. Nederland is bereid geweest om die maatstaf in feite ook voor overbrenging naar buitenlandse gevangenissen te gebruiken. De onzinnigheid van deze maatstaf zal, voor zover niet op heel korte termijn blijkend uit wanhopige berichten van overgeleverden naar bijvoorbeeld Polen, op langere termijn zeker blijken zodra overgeleverd wordt naar kandidaat-lidstaten als Bulgarije, Roemenië (lid in 2007) en Turkije.

Binnenkort vinden bij de rechtbank in Amsterdam de eerste procedures plaats. Het is te hopen dat deze rechtbank de verzoeken zo kritisch mogelijk zal beoordelen en bij enige twijfel zal afwijzen. Die ruimte is er, zeker nu de wetgever gewild heeft dat de officier van justitie niet in beroep kan gaan.

Mr. G.P. Hamer en mr. W.R. Jonk zijn verbonden aan Cleerdin & Hamer advocaten in Amsterdam.