Het geloof moet niets willen beweren

Verwoede pogingen van vooral gelovigen om geloof en wetenschap niet met elkaar te laten botsen, zijn tot mislukken gedoemd, meent F.A. Muller.

Geloof en wetenschap: het zijn voornamelijk gelovigen die zich druk maken over de verhouding tussen beide. Om pijnlijke evaringen (bijvoorbeeld Darwins leer over de oorsprong van de mens en van al het leven) voor eens en voor altjd te vermijden, willen de meeste gelovigen een samenhangend verhaal kunnen vertellen over de verhouding tussen geloof en wetenschap. Zij willen niet geloof of wetenschap, zij willen geloof en wetenschap.

Ook op academisch niveau worstelen gelovigen met de wetenschap. Daarvan getuigt menige bijdrage in het tijdschrift Zygon en de bijdrage van Willem B. Drees, hoogleraar in de Godsdienstwijsbegeerte, in Opinie & Debat van 29 mei.

De favoriete leer van hedendaagse gelovigen is die van de boedelscheiding: wetenschap en geloof gaan over totaal verschillende dingen en kunnen daardoor niet in conflict komen. Conflicten uit het verleden zijn een gevolg van de verwarring van de twee inboedels. Deze leer werpt twee vragen op.

In Genesis staat geschreven dat God de wereld en de mens heeft geschapen. Wat te doen indien wetenschappelijk onderzoek anders uitwijst? Antwoord: herinterpretatie van de Heilige Schrift. Hier gaat de doos van Pandora open die `bijbelexegese' heet. Wie gaat uitmaken wat de gelovige letterlijk moet nemen en wat hij figuurlijk moet opvatten? Uiteindelijk de wetenschap: bij een dreigend conflict tussen iets wat tot het canon der wetenschappelijke kennis behoort en een bepaalde passage uit de bijbel, zal het ongetwijfeld die desbetreffende passage zijn die plotseling herïnterpretatie behoeft. Zo kan de gelovige ieder dreigend conflict vermijden.

Deze laffe strategie roept onmiddellijk de tweede vraag op voor de boedelscheider: wat behoort precies tot het domein van het geloof en wat tot de wetenschap? Drees meent twee dingen gevonden te hebben: ten eerste een vraag waar de wetenschap geen antwoord op kan hebben en waarover ,,de atheïst alleen maar de schouders kan ophalen''; en ten tweede het onloochenbare bestaan van gevoelens waarvoor de atheïst ,,zijn kop in het zand steekt''.

In navolging van de 17de-eeuwse denker Leibniz vraagt Drees zich af waarom er `iets' is en niet `niets'. Schopenhauer vond dit geen religieuze vraag, zoals Drees denkt, want dat vooronderstelt reeds een bepaald soort van antwoord. Het antwoord dat God de Eerste Oorzaak is, die de lont van de Oerknal heeft aangestoken, verplaatst het probleem, omdat de vraag pas diepzinnig is, indien we ook God tot het `iets' uit de vraag rekenen. De vraag van Leibniz is dan verruild voor de vragen waarom God bestaat en waarom Hij een wereld (met mensen) heeft geschapen.

Drees lijkt dit te beseffen en wijst erop dat wat de diepste vraag betreft, de gelovige en de ongelovige in hetzelfde schuitje zitten: de ongelovige heeft geen antwoord op de vraag waarom iets bestaat, en de gelovige beschikt slechts over een schijnantwoord en niet over een antwoord op de vraag waarom God bestaat en schept. Daarom is het wijs noch te geloven in God noch niet te geloven in God en dus steekt de atheïst ,,zijn kop in het zand'', die ,,over laatste vragen alleen maar de schouders kan ophalen'', concludeert Drees. Hij gaat er daarbij stilzwijgend van uit dat atheïsten van mening moeten zijn dat vragen waarop we nu geen antwoord hebben, zinloos zijn.

Schopenhauer deelde deze onderstelling blijkbaar al niet, Russell niet (door Drees selectief aangehaald), ik ook niet, en ik vraag me af welke ongelovige eigenlijk wel. De redenering van Drees heeft slechts vat op een hoogst arrogante atheïst, die een weinig wetenschappelijke houding tentoonspreidt. Er is geen sprake van discrepantie tussen de erkening dat er zinrijke vragen bestaan waarop wij nu geen antwoord hebben, of misschien nooit zullen hebben, en tegelijkertijd het antwoord van gelovigen verwerpen. Bijvoorbeeld met als opgaaf van reden dat er niets is wat wij wel weten dat een dergelijk antwoord ook zelfs maar de schijn van aannemelijkheid verleent. Uit niet weten wie de misdaad heeft gepleegd, volgt niet dat wij niet kunnen weten dat deze bepaalde persoon onschuldig is.

Een ander bezwaar tegen het betoog van Drees is dat hij zijn stelling niet onderbouwt dat `de wetenschap' nooit de vraag van Leibniz kan beantwoorden. In de speculatieve kosmologische theorie van het multiversum wordt `het niets' beschreven zoals de moderne quantumfysica het vacuüm beschrijft. Daarin komen zogeheten `quantum-fluctuaties' overal onophoudelijk voor. Overschrijdt een enkele fluctuatie een kritieke grens, dan is er een oerknal: een universum ontstaat. De gehele werkelijkheid, het multiversum, is een oneindigheid van gescheiden universa die fysisch geen contact met elkaar kunnen maken. Dit is een mogelijk antwoord op een variant van de vraag van Leibniz: waarom bestaat het universum en niet geen universum? Men kan doorvragen waarom het multiversum bestaat. De wet van de grote aantallen levert een verklaring, gegeven de quantum-beschrijving van `het niets'. Men kan weer doorvragen waarom dat niets bestaat. Maar dat was niet de vraag van Leibniz. Er bestaat iets, omdat er niets bestaat. Alles volgt uit niets. De kosmologie heeft het geloof reeds overtroffen door een kosmogonie te bieden die letterlijk ex nihilo is.

Het tweede wat Drees heeft ontwaard in de geloofsinboedel is een gevoel: ,,God heeft de wereld geschapen is geen verklaring van de wereld maar een uitdrukking van verwondering over het bestaan.'' Doch waarom zijn wij gedwongen onze innerlijke ervaringen, in dit geval een gevoel van verwondering, te verwoorden in een religieuze terminologie? Door zulke gevoelens en daaruit voortvloeiende vragen als `religieus' te classificeren, gaan zij de rol vervullen van innerlijke Godsbewijzen: wie erkent zulke gevoelens te hebben, ziet zich vervolgens verplicht te erkennen dat er `iets religieus' bestaat.

De gedachtefout die Drees hier maakt, bestaat eruit te denken dat deze conclusie volgt uit het bestaan van zulke gevoelens; zij volgt echter uit een bevooroordeelde keus voor een bepaalde terminologie om zulke gevoelens onder woorden te brengen. Dit is een schoolvoorbeeld van arrogantie die Drees deelt met veel gelovigen: de monopolisering van velerlei gevoelens en zingevingsvragen.

Het moge duidelijk zijn: wetenschap en geloof zijn gedoemd frontaal te botsen. Het is duidelijk waarom. Wetenschap is de collectieve onderneming die gericht is op de groei van onze kennis van de wereld in de meest ruime zin des woords. Er lijkt niets te bestaan wat in beginsel niet ontvankelijk is voor wetenschappelijke ontsluiting. Zodra het geloof iets over de wereld beweert, kan men een conflict met de wetenschap niet uitsluiten. Geen enkele boedelscheiding heeft de tand des tijds doorstaan. De wolf (weten) zal het schaap (geloof) blijven verslinden. De enige redding voor het geloof is niets meer te beweren en niets meer te monopoliseren. Inderdaad, vrijwillige euthanasie.

F.A. Muller is als post-doc onderzoeker verbonden aan het Instituut voor Geschiedenis en Grondslagen der Natuurwetenschappen van de Universiteit Utrecht.