Het evangelisme van George Bush

Al sinds zijn aantreden wordt George Bush door zijn Europese tegenstanders belachelijk gemaakt en beschouwd als een buitenbeentje om zijn religieuze overtuigingen. In het beste geval is hij een simpele ziel die Jezus heeft gevonden maar overigens de weg goed kwijt is; in het slechtste geval een fanaticus die in Amerika de scheiding van kerk en staat op de helling zet, en die de rest van de wereld een handje helpt op weg naar Armageddon, omdat hij denkt dat zulks Gods plan is.

Intussen staan wij, verlichte Europeanen, daar natuurlijk mijlenver boven welk recht zouden we anders ook hebben om onze eigen moslims te kapittelen over hun achterlijke geloof?

Nu waait met Bush, zijn `barmhartige conservatisme' en zijn mondiale strijd tegen evildoers onmiskenbaar een hetere, religieuze wind in de Amerikaanse politiek. Op de Belgische televisie was onlangs nog een documentaire te zien waarin zo'n beetje het totale beleid van Bush werd gepresenteerd als een soort bijbelles in de praktijk. Maar juist om de verwerpelijke kanten van zijn bewind aan de kaak te stellen – zoals het terugdringen van burgerlijke vrijheden in Amerika, de gemanipuleerde oorlog tegen Irak, de schandalen rond Guantánamo Bay en Abu Ghraib is het goed om niet klakkeloos alles wat Bush te berde brengt op conto te schrijven van religieuze verblinding.

Die houding miskent om te beginnen, het is al vaker opgemerkt, de vitale en dynamische rol die religie van oudsher speelt in de Amerikaanse politiek en samenleving. Het is een wezenlijk kenmerk van het land (dat tenslotte mede een product is van de hang naar godsdienstvrijheid), waar De Tocqueville in de achttiende eeuw reeds op wees en dat sindsdien niet aan kracht heeft ingeboet onder de voorgangers, en ook niet de concurrenten, van George Bush. Wie bijvoorbeeld zich in de presidentscampagne van 2000 ook een ,,herboren'' christen, voor wie geloof centraal stond in zijn leven, die meende dat Amerika ,,de rol speelt die God wil, als licht in een krimpende wereld'', en dat freedom of religion nog niet betekent freedom from religion, en dat religieuze organisaties een kernrol dienden te spelen in zijn maatschappelijk beleid? Juist, Al Gore, kandidaat voor de Democraten.

Het voorbeeld komt uit het partijdige maar niettemin interessante boekje The Faith of George W. Bush van Stephen Mansfield (Charisma House, 2003), waarin de ontwikkeling van Bush op religieus gebied met onverholen sympathie wordt gevolgd en goedgepraat. Van gefrustreerde losbol die als rijpe dertiger in bijbellessen op de vraag ,,Wat is een prophet?'' nog snedig antwoordde: ,,Dat is wanneer je bedrijf meer verdient dan het uitgeeft'' tot de late bekeerling die de drank afzweert en alsnog iets van zijn leven maakt. Het besef dat geloof zulke transformatieve kracht heeft, is wezenlijk voor Bush.

Volgens Mansfield staat Bush met die actieve maatschappelijke promotie van religie in een politieke traditie vanaf de Amerikaanse Founding Fathers, die weliswaar een staatskerk stellig afwezen, maar er geen been in zagen Amerika openlijk als christelijke natie te definiëren en sommige religieuze activiteiten hardhandig zendingswerk onder Amerikaanse indianen te subsidiëren met federale gelden. Wat de persoonlijke zendingsdrang van Bush betreft: hij houdt zijn eerder geventileerde opvatting dat ongelovigen reddeloos verloren zijn als ze Jezus niet aanvaarden, in toom sinds Billy Graham hem voorhield dat niemand ,,voor God mag spelen''. Na 11 september 2001 deed hij bovendien een reeks welwillende uitspraken over de islam als ,,religie van vrede'' waarover in het Nederland van Geert Wilders eigenlijk alsnog een orkaan van woede zou moeten opsteken.

Het bijzondere kenmerk van de wereldbeschouwing van Bush als Amerikaanse president is dus op zichzelf niet zijn godsdienst, ook niet de overtuiging dat religie een maatschappelijke rol moet spelen. Bijzonder aan Bush, en passend bij het eigentijdse `herboren' christendom, is dat die religie hem persoonlijk heeft gered van een stuurloos jaren-zestig-leven en hem op het parcours heeft gebracht naar zijn rol op het wereldtoneel en de oorlog tegen terreur.

Dat betekent nog steeds niet dat hij zijn dagelijkse politiek laat dicteren door religieuze overwegingen al vraagt hij er steun voor van de Heer maar het betekent wel, dat die plaatsvindt onder een revolutionaire, `hogere' legitimiteit, die het Amerikaanse gevoel van uitzonderlijkheid nog versterkt.

Waar dat toe kan leiden, is de laatste tijd gebleken. Ondanks alle blunders in het vervolg van de oorlog tegen Irak, is nog niemand van het kabinet-Bush gedwongen te vertrekken. Afkeurende reacties op misstanden zoals die in de Abu Ghraibgevangenis, uitgelokt door het aura van morele onaantastbaarheid rond de president en Amerika, komen te laat en klinken niet oprecht. Het doel heiligt de middelen een houding die opnieuw blijkt uit de uitgelekte memo's waarmee regeringsfunctionarissen het wettelijk verbod op marteling door Amerikaanse strijdkrachten probeerden te omzeilen. Hier zien we ambtelijk cynisme ten top: familieleden van gedetineerden op Guantánamo Bay, die er vaak al jaren zitten zonder enige vorm van rechtsbijstand, krijgen te horen dat hun klachten niet ontvankelijk zijn, omdat de basis op Cuba buiten de Amerikaanse juridisctie valt.

Tegelijk wordt in de martel-memo's beredeneerd dat eventueel martelen van gevangenen op Guantánomo Bay niet onder internationale wettelijke verboden valt, omdat het zich afspeelt binnen Amerikaanse jurisdictie.

In het licht van alle recente tegenslagen rond Irak heeft Bush wijselijk een andere koers ingezet, die enige hoop biedt op herstel van de internationale verhoudingen, toenadering tot de Verenigde Naties en Europa, en een minder ideologisch geladen politiek.

Dat is hard nodig. Moreel absolutisme, het rigide en uiteindelijk apolitieke denken in goed en kwaad, leidt paradoxaal genoeg juist tot een opportunistische en cynische omgang met regels en principes. Uit naam van het hogere goed mogen die naar de behoefte van het moment worden geïnterpreteerd, bijgebogen of opgeschort. Het gevaar van een religieus geladen politiek zit hem niet eens in Bush' retorische evangelisme, maar in het praktische farizeïsme van zijn omgeving.