Een dichter voor jezelf ontdekken

Op Poetry International overvallen sirenen de bezoekers met persoonlijke gedichten. ,,Meneer, mag ik u iets vragen?''

,,Meneer, mag ik u iets vragen?'' In de hal van de Rotterdamse Schouwburg loopt een meisje met een lichtblauwe stoel met lage zitting. Alles is hemelsblauw aan haar: schoenen, rok, spencer. ,,Mag ik een gedicht aan u voordragen?'' Ik stem toe. Ze zet de stoel met de rugleuning naar me toe vervaarlijk dicht tegen me aan en knielt op de zitting. Dat dwingt me haar in de ogen kijken en die zijn niet blauw maar lichtbruin en groot en heel dichtbij. Wie luistert er dan nog naar een gedicht? `Onze lippen ademen', hoor ik, en `onze lippen prevelen'. Na `Alleen de wind weet onze namen nog' is het uit. Ik ben absoluut ongeschikt als biechtvader, maar stamel nog net laf: ,,Van wie was dat gedicht?''

In de Grote Zaal spreekt de Zuid-Afrikaanse dichteres Antjie Krog vervolgens een rede uit over de verdediging van de poëzie. Uit haar woorden blijkt al snel dat iedereen op deze Poetry-avond vastbesloten is de zomerse lichtzinnigheid buiten ook binnen te vangen. In ,,de volle wapenrusting van het gedicht'', gepantserd met metrum, beeldspraak en enjambementen wacht Krog de vijand op. Die niet komt. ,,Onbetrouwbare vrienden ja, verraders, uitzuigers, profiteurs misschien, maar een vijand''? Wat volgt is een luchtig exposé over de bruikbaarheid en schoonheid van poëzie, met enkele fraaie gedichten, waaronder één in het Zulu dat eindigt met: `open je deuren/ en laat mij toe om je volheid te smaken'. ,,Poëzie is voor mij de grote Onaantastbare'', stelt Krog vast. Ze wordt begeleid door een zangeres en samen doen ze een wild Afrikaans dansje, zwaaiend met de armen in de lucht.

Dan volgt een lange pauze. Een man alleen is gevaarlijk alleen. ,,Meneer, mag ik u iets vragen?'' Deze sirene is blond. En weer heel dichtbij. `Alles is kapot', begint ze. Ik kijk haar niet in de ogen, maar kijk ik nu niet te veel naar haar mond? Ik hoor niets en vraag na afloop niets. Haast me naar een andere hoek van de hal. Tevergeefs. ,,Meneer?'' ,,Je hebt mij al gehad'', weer ik zwakjes af. Maar ze kent ook andere gedichten. Vanavond moet niet de poëzie, maar de poëzielezer worden beschermd. `Op de rode muren van Sodom', hoor ik, en ik wankel op de kantelen. Onwillekeurig laat ik een zucht als ze klaar is, maar daar lacht ze om. Ik denk aan de bijbelse wreekster Judith en het gedicht van Charles Ducal over haar: `Ik zal vannacht al mijn mannen verraden'.

Op het internationaal programma staan drie Aziatische dichters. Volgens de inleider zijn ze niet uit op rationeel begrip, maar op overgave. Na de scherpe neusklanken van de Vietnamees Thanh Thao volgt het ronde, gefluisterde Koreaans van Yi Won. Zij mengt haar observaties over het monderne, achter de computer beleefde leven met boeddhistische motieven en ze is ronduit geestig. Het gedicht `Ik klik aan dus ik ben' begint met: `In plaats van de ochtendkrant gedrenkt in inktgeur op te slaan/ klik ik in alle vroegte vrolijk het aromaloze internet aan'. Ze surft en surft, zonder te weten wat te zoeken, tot ze `klikklak klikklak' dromedarishoeven hoort: `De oase is dichtbij'. Dan volgt het fascinerende gedicht `Meditatie op een stopcontact' en meegevoerd door haar zachte, romige stem voel ik de sensatie die de Poetry-bezoeker elk jaar wel een keer heeft: een dichter voor jezelf ontdekken. Na Yi volgt de Engelstalige Alfred A. Yuson, die de gelegenheid geeft alles weg te lachen met zijn `Wereldpoëziecircuit', een parodie. Niet per se op Poetry, zegt hij. De dichters ontsnappen aan hun gastheren, worden teruggevonden, duiken met elkaar in bed, klagen overal over en tot slot `herinneren zich, en glimlachen bij zichzelf'.

Weer thuis hoor ik nog een flard biecht: `Wakker worden, midden in de nacht!'

Poetry International. T/m 18 juni in de Rotterdamse Schouwburg