`Brussel' stort zich op Europese fracties

Moet een Nederlandse CDA'er in het Europees Parlement in dezelfde fractie als een Britse Conservatief? Daarover is in Brussel het overleg gestart.

Hoewel de kiezers bij de Europese verkiezingen in de diverse lidstaten het politieke krachtenveld flink hebben opgeschud – het voor Nederland sinds 2002 niet onbekende begrip `kiezersrevolte' is her en der gevallen – zijn de consequenties voor de instelling waar het allemaal om ging, het Europees Parlement, ogenschijnlijk niet al te groot.

Een eerste blik op de nieuwe zetelverdeling laat zien dat de verhoudingen tussen de grote stromingen eigenlijk nauwelijks zijn veranderd. Een vergelijking in zetels is moeilijk, omdat als gevolg van de uitbreiding met tien nieuwe lidstaten het parlement is vergroot van 626 naar 732 zetels. De `oude' EU-landen hebben daarnaast allemaal een aantal zetels ingeleverd om ruimte te maken voor de nieuwkomers.

Het meest getrouwe beeld van de opgetreden verschuivingen ontstaat door naar de percentages te kijken. De grootste fractie, de combinatie van christen-democraten en conservatieven, had na de vorige verkiezingen 37,06 procent en kan nu rekenen op een fractie minder. Ook de sociaal-democraten, het tweede grote blok, zijn heel licht teruggegaan van 27,96 procent naar iets meer dan 27 procent. De liberale fractie groeide licht van 8,31 naar ruim 9 procent.

De vraag is of de fracties zoals ze waren samengesteld na 20 juli, als het nieuwe Europees Parlement in Straatsburg wordt geïnstalleerd, nog steeds die samenstelling zullen hebben. Daarover is in Brussel, waar de parlementariërs het grootste deel van hun tijd doorbrengen, direct gisteren het grote wheelen en dealen al begonnen.

Allereerst zijn daarbij alle ogen gericht op de zeer brede EVP/ED-fractie, die behalve Nederlandse CDA-afgevaardigden ook volgelingen van de Italiaanse premier Berlusconi en een groot aantal Britse Conservatieven kent. Al voor de verkiezingen rommelde het binnen deze fractie en speelden bijvoorbeeld leden afkomstig van de Franse UDF openlijk met de gedachte elders onderdak te zoeken. Zij hebben vooral moeite met de eurosceptische koers van de Britse Conservatieven en overleggen met Italiaanse europarlementariërs uit drie verschillende fracties over de vorming van een nieuwe, pro-Europese middengroep. Deze zou eventueel ook afgevaardigden kunnen rekruteren uit de liberale ELDR-fractie of aansluiting zoeken bij deze groep. De liberalen hebben belang bij enig soortelijk gewicht omdat zij op die manier de sociaal-democraten, dan wel de christen-democraten aan een meerderheid kunnen helpen. Zo hebben zij de afgelopen vijf jaar ook geopereerd. Er werden, afhankelijk van het onderwerp, zowel coalities met de socialisten als de christen-democraten gesmeed.

Verder is interessant wat er gebeurt met de zeer divers samengestelde groep van eurosceptici. De United Kingdom Independence Party ziet haar aanhang in het Europees parlement bijna verviervoudigd tot 12 afgevaardigden. Tot de verkiezingen zaten 3 UKIP'ers in de EDD-fractie (Europa van Democratieën en Diversiteit) die geleid werd door de Deense Europa-criticaster Jens-Peter Bonde en waar ook de drie leden van de Nederlandse Christenunie/SGP onderdak hadden gevonden. In de eurokritische sector wordt een grote hergroepering verwacht.

Om een fractie in het Europees Parlement te kunnen vormen moeten minimaal twintig leden uitspreken dat ze politieke affiniteit met elkaar hebben. Daarnaast dienen ze uit minimaal vijf lidstaten afkomstig te zijn. Zoals de ervaring heeft geleerd kan het begrip affiniteit ruim worden opgevat. Belangrijk in deze fase is wat men elkaar te bieden heeft. De komende weken geldt in de vele onderlinge besprekingen vooral het `voor wat, hoort wat'-principe.

    • Mark Kranenburg