Vergeten held

Negentig jaar geleden sneuvelde in Albanië de eerste Nederlandse militair bij de eerste Nederlandse vredesmissie ooit: majoor Lode- wijk Thomson. Een vergeten held die morgen wordt herdacht.

Majoor Lodewijk Thomson (1869-1914) was geen Karremans. Hij was lid van de Haagse gemeenteraad en (van 1905 tot 1913) voor de Liberale Unie lid van de Tweede Kamer, en had in de loop van zijn militaire carrière een indrukwekkend aantal onderscheidingen gekregen – Nederlandse, Zweedse, Franse (hij was Officier in de Orde van het Legioen van Eer), Montenegrijnse, Griekse en Albanese.

Thomson werd op 15 juni 1914 in Durrës doodgeschoten tijdens een beschieting door Albanese rebellen. Albanië heeft na de val van het communisme de Nederlandse officier herontdekt. Binnenkort verschijnt in het Albanees het relaas dat J. Fabius, die met hem in Albanië was, in 1918 publiceerde onder de titel Met Thomson in Albanië (tweede druk: 1964, in 1991 heruitgegeven onder de titel Zes maanden in Albanië, met een nawoord van Boudewijn Büch). Na Thomsons dood werd in Durrës een borstbeeld van hem neergezet, dat door de steentijdcommunisten van Enver Hoxha werd weggehaald. Inmiddels is het vervangen door een kopie van het borstbeeld dat in Groningen te zijner ere is geplaatst. In 2000 werd Thomson postuum ereburger van Albaniës belangrijkste havenstad en nog in maart van dit jaar werd hem, even postuum, een hoge Albanese onderscheiding toegekend. De nieuwe Militaire Academie in Tirana is door het Albanese parlement naar de Nederlandse officier genoemd.

Hoe kwamen de militairen die Nederlands eerste vredesmissie vormden in Albanië terecht? Tijdens de Eerste Balkanoorlog (1912-1913) maakten Bulgarije, Servië, Montenegro en Griekenland een eind aan de Turkse overheersing in het grootste deel van de Balkan. Albanese nationalisten maakten in november 1912 van de gelegenheid gebruik om de onafhankelijkheid van hun land uit te roepen. Die werd na de Eerste Balkanoorlog erkend door de grote mogendheden, die na enig zoeken – er waren vele kandidaten – de Duitser Wilhelm zu Wied bereid vonden staatshoofd (mbret, Albanees voor vorst) van het nieuwe land te worden. Wilhelm was verwant aan vele koningshuizen (hij was achterneef van koningin Wilhelmina en neef van de geëxalteerde Roemeense koningin Elisabeth, ook bekend als de schrijfster Carmen Sylva) en hij was bovendien protestant, een `veilige' religie in Albanië, waar katholieken, orthodoxen en moslims elkaar geen bevoorrechte positie gunden. Wilhelm, die in maart 1914 in het door chaos, complete anarchie en malaria geteisterde Albanië aankwam, kreeg een zeventien man tellende Nederlandse missie tot zijn beschikking: zij moest helpen een Albanese gendarmerie op poten te zetten.

De missie werd een fiasco. De Serviërs, de Montenegrijnen en de Grieken wilden van een onafhankelijk Albanië niets weten en vielen het land van alle kanten binnen, de Albanezen zelf accepteerden hun mbret Wilhelm niet, rebellen bestreden elkaar én de buitenlanders in elke vallei en in 1914 kwamen ook nog eens de boeren in opstand. De Albanese `regering' bestond vooral uit intrigerende en elkaar bestrijdende krijgsheren en Wilhelm heeft al met al nooit meer dan een paar vierkante kilometer van Albanië beheerst. Na een half jaar verliet hij het land, om zich overigens tot zijn dood in 1945 `Fürst von Albanien' te blijven noemen. De hele opzet van de grote mogendheden getuigde (toen al) van gebrek aan inzicht ten aanzien van de Balkan, want wat de Turken in eeuwen niet was gelukt – de Albanezen tot de orde te roepen, hen tot betaling van belasting te dwingen – kon met de mini-interventie van 1914 onmogelijk lukken. Al helemaal niet omdat de buurlanden geen Albanië wensten.

Toen Wilhelm in september 1914 uit Durrës wegvoer, was Thomson al dood. Al in juli keerden de andere Nederlanders naar huis terug. Twee weken na Thomsons dood viel in Sarajevo het eerste schot van de Eerste Wereldoorlog – een van de redenen waarom de interventie in Albanië geheel in het vergeetboek raakte. Thomson werd begraven in Groningen en op initiatief van Hendrik Colijn geëerd met een straat, een plein en een standbeeld in Den Haag.

De dood van Thomson wordt in Den Haag herdacht, morgenmiddag om drie uur met een kranslegging bij zijn standbeeld op het naar hem genoemde Thomsonplein, vervolgens tot 18 juli met een Thomson-tentoonstelling in de bibliotheek op het Spui, naast het Haagse stadhuis.