Twee orkestpremières: Simons woest, Jeths magisch

De eenhoorn gold als een zinnebeeld van de kuisheid en van Christus. Maar Marijn Simons (1982) geeft geheel andere associaties in zijn nieuwe Concerto fabuleux voor slagwerk en orkest, waarin elk deel een fabeldier uitbeeldt. Ook de afbeelding van een elegante éénhoornige antilope in de piramide van Cheops kon ik er niet in terugvinden. Het laatste deel van het slagwerkconcert herinnerde eerder aan afbeeldingen op Assyrische gedenktekens, waarin de koning jaagt op een ruige stier met kromme hoorn en manen als afschrikwekkende schubben.

De uiterst capabele slagwerker Willem Vos ging in Den Haag als een wildeman tekeer in zijn jacht in grote sprongen op de marimba, zoals Simons hem voorschreef. Maar ook het eerste deel als verzinnebeelding van de draak, in duels van trommels met de piano in het orkest, was hoogst opwindend. Simons toont zich hier, verwijzend naar zijn opus 14, als een ware `Warrior with no Fear'. Het langzame deel in het teken van de weerwolf, een etherische zetting in new age-stijl voor strijkers, beklijft matig. Woest swingend en tomeloos terzake, direct en energiek is Simons op zijn best, dán geloof je er in.

Groot is de tegenstelling met een nieuw werk van Willem Jeths (1959), dat met een opmerkelijk gevoel voor klanknuances in première werd gebracht door het Gelders Orkest. Jeths is er dit seizoen de composer-in-residence, Simons volgt hem op, zoals hij ook deze zomer de huiscomponist is bij het Delftse kamermuziekfestival van violiste Isabelle van Keulen.

Jeths componeert ook opzwepend, maar in Seanchai, An Afterimage voor groot orkest gaat het niet om snel rondtollende figuraties in strikt gescheiden klankgroepen, maar om de metamorfose van uiterst subtiele mengklanken in trage bewegingen. Het hoogtepunt in een beklemmende op- en afbouw ligt in het centrum; `panico' vermeldt de partituur. En wat Simons in zijn portret van de weerwolf maar matig lukte – het oproepen van magie – is juist Jeths' specialisme. In Seanchai (Keltisch' voor dorpsoudsten) laat hij zich inspireren door een artikel in NRC Handelsblad over de oud-Ierse vertelkunst met van de hak op de tak springende verhalen vol grillige a-causale `nabeelden'. Die nabeelden bestaan bij Jeths uit allusies aan Wagner (Tristan und Isolde), Messiaen (Turangalîla-symfonie), Mahler (Tiende symfonie) en Berg (Drei Orchesterstücke). Uiterst typerend voor deze componist zijn de reusachtige, met gestrekte armen hoog door de lucht rondzwaaiende koebellen zonder klepels, gestemd in een wringende samenklank. Daardoor ontstaan spannende interferenties van suizelende boventonen als een soort magische noodlotssignalen. Dit zijn klankverrijkingen zoals je ze eerder in de elektronische muziekstudio tegenkomt dan in de orkestmuziek, kortom: dit zijn de ware fabeldieren in orkestrale dierenparken.

Concerten: Residentie Orkest o.l.v. James MacMillan en Gelders Orkest o.l.v. Bernhard Klee. Gehoord: 11, 12/6 Den Haag, Nijmegen.