Kiezers kapittelen nationale coalities

Euroscepsis en ongenoegen over de prestaties van de zittende regeringen domineren in de uitslagen van de Europese verkiezingen.

Het is de paradox die zich nu al meer dan twintig jaar manifesteert: naarmate de macht van het Europees Parlement toeneemt, neemt de belangstelling van de kiezers voor de enige rechtstreeks verkozen volksvertegenwoordiging in Europa af.

De verkiezingsronde voor het kiezen van 732 parlementariërs die afgelopen donderdag in Nederland en het Verenigd Koninkrijk begon, en gisteravond om tien uur met het sluiten van de stembussen in Italië eindigde, heeft geleid tot een nieuw dieptepunt. Slechts 155 miljoen van de ruim 340 miljoen kiesgerechtigden vond Europa belangrijk genoeg om te gaan stemmen. Het Europees kampioenschap voetbal dat eveneens dit weekeinde begon, trekt aanzienlijk meer mensen.

Met een opkomstpercentage van 44,2 werd de neergaande lijn gecontinueerd die direct na de eerste rechtstreekse verkiezing van het Europees Parlement inzette. Toen, in 1979, maakte 63 procent van de kiezers gebruik van zijn stemrecht. Vijf jaar geleden werd de 50-procentsgrens gepasseerd, en nu is deze dus weer een aantal punten benedenwaarts bijgesteld.

Nederland vormt met een hogere opkomst dan vijf jaar geleden (38,0 procent tegen 29,9) een van de weinige gunstige uitzonderingen, maar zit desondanks nog altijd onder het Europees gemiddelde. Wat dat betreft kan het optimisme dat Nederlandse politici afgelopen donderdag uitspraken na het bekend worden van de resultaten direct weer gerelativeerd worden.

Opvallend is vooral de geringe belangstelling die het parlement in de acht toetreders uit Midden- en Oost-Europa heeft weten te wekken. In die landen kwam één op de vier stemgerechtigden op. De uitbreiding van de Europese Unie per 1 mei van dit jaar is op diverse plaatsen beschreven als het definitieve einde van de Koude Oorlog. De zeer slechte opkomst in de voormalige Oostbloklanden maakt duidelijk dat de bevolkingen van die staten niet echt warm lopen voor het bevrijdingsfeest, voorzover dat gerepresenteerd wordt door het Europarlement.

De vaak zo verdeelde Europese leiders waren eensgezind in hun commentaar. Dit is een signaal van de kiezers dat serieus genomen dient te worden. Het zijn de ernstige en deemoedige woorden die in 1999 eveneens werden gesproken en die toen al weer een herhaling van de bezorgdheid uit 1994 waren.

[Vervolg SCEPSIS: pagina 4]

SCEPSIS

Kiezers leggen crisis in EU bloot

[vervolg van pagina 1]

Het project Europa weet in de woorden van de leider van de Groenen in het Europees Parlement, Daniel Cohn Bendit, niet te emotioneren. Daar kunnen weer vele studies gevolgd door plechtige voornemens op losgelaten worden, maar de vraag is of Europa niet gebaat is bij een veel fundamenteler kijk op het eigen functioneren.

In zekere zin gebeurt dat sluipenderwijs ook al. De toespraak van de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken, Ben Bot, begin deze maand in Berlijn was het zoveelste signaal dat zelfs voor dit traditioneel pro-Europees ingestelde land de grenzen van de overkoepelende Europese aanpak in zicht zijn. Ook minister Bot vindt dat op sommige terreinen de weg terug moet worden ingeslagen met meer verantwoordelijkheden voor de nationale staten. Natuurlijk was het subsidiariteitsbeginsel altijd al één van de basisuitgangspunten van de Europese Unie, maar in de praktijk ontwikkelde Europa zich conform de wetten van elke organisatie in een andere richting. Het zijn de Europese kiezers die nu op hun manier de lijnen hebben getrokken.

De scheidende voorzitter van het Europees Parlement, Pat Cox, had het vannacht waarschijnlijk bij het goede eind toen hij de uitslag van de verkiezingen betitelde als een ,,wake-up call'' voor alle regeringsleiders die van plan zijn in hun land hun referendum uit te schrijven over de Europese grondwet waarover de 25 EU-landen eind deze week eindelijk een akkoord hopen te bereiken. Want behalve de dramatische opkomst, is er onder de kiezers die wél opkomen, de tendens om hun stem uit te brengen op een euroscepticus. In Nederland stemde bijna één op de dertien kiezers op klokkenluider Paul van Buitenen.

Nu is er een aanzienlijk verschil tussen het streven naar het zo snel mogelijk verlaten van de Europese Unie en het uitbannen van alle financiële malversaties, maar tegelijk spelen al dit soort partijen in op hetzelfde sentiment: het huidige Europa deugt niet. En het lijkt haast uitgesloten dat deze stroming niet ergens in een van de landen waar een referendum over de grondwet wordt gehouden geen meerderheid zal weten te behalen.

Ongetwijfeld zal deze wetenschap dan ook een rol spelen als de regeringsleiders eind deze week een akkoord in Brussel proberen te bereiken over de grondwet. In deze tijden van euroscepsis kunnen zaken op straffe van een nee bij een referendum niet al te veel geforceerd worden. De uitslag van de verkiezingen heeft bewezen dat Europa in een erstige legitimiteitscrisis verkeert. Die crisis gaat aanzienlijk dieper dan de strijd die de regeringsleiders nu al maandenlang met elkaar voeren over stemgewichten. De crisis gaat om het wezen van Europa zelf.