Hartmann is ex-avant-garde

`Waarom is nieuwe muziek zo moeilijk aan te horen?' vroeg Karl Amadeus Hartmann zich af in een essay uit 1957. Zijn conclusie: `Het is vooral een kwestie van gewenning'. Hadden Haydn, Mozart en Beethoven ook niet ooit de grootste moeite hun muziek aan zowel het conservatieve publiek als de meer welwillende luisteraar te verkopen? De moderne componist moet weliswaar streven naar een evenwicht tussen vorm en uitdrukking, en er dus voor waken in technische formaliteiten te blijven steken, maar uiteindelijk beslist de geschiedenis over blijven of vergeten worden.

Dat Hartmanns stelling wat zijn eigen muziek betreft juist is én gunstig uitpakt, bewees dirigent Ingo Metzmacher bij het Rotterdams Philharmonisch Orkest met zijn voortreffelijke uitvoering van Hartmanns Eerste symfonie. Hartmann componeerde deze in 1935-36 en maakte in 1954-55 een ingrijpende revisie. Enerzijds is eraan af te horen dat dit ooit avant-gardemuziek was, anderzijds gaat het er nu even makkelijk in als een Mahler, die een Chailly honderd jaar geleden waarschijnlijk nog niet op het programma van zijn afscheidsconcert zou hebben gezet. Hartmanns materiaal is uiteraard veel abstracter dan dat van Mahler, maar de voortdurende herhaling, die in zijn werk een belangrijke rol speelt, zorgt al binnen het moment voor een gewenning die de werkzaamheid van het materiaal ten goede komt.

De symfonie draagt als ondertitel `Versuch eines Requiems'. Inderdaad is het van begin tot eind een droevige en onheilspellende gebeurtenis. Metzmacher loodste het orkest kundig en haast rationeel door de transparante, berustende passages en broeierig-dreigende gedeelten. Tijdens de geweldsexplosies van koper en slagwerk bewezen de plexiglazen arbo-geluidsschermen de strijkers een grote dienst. De delicate koraalfragmenten, die herinneren aan Stravinsky's grafmonument voor Debussy in Symphonies d'instruments à vent (1920), droegen aan het rouwkarakter sterk bij. Het orkest droeg deze uitvoering dan ook op aan alle bedreigde collega-musici, die van het op te heffen Radio Symfonie Orkest in het bijzonder.

Sjostakovitsj' Achtste symfonie (1943), die na de pauze klonk, is in vergelijking hiermee veel optimistischer. Het cynisme ligt er dik bovenop, want Sjostakovitsj móest van het sovjetregime de positieve waarden benadrukken. Elk positief moment wordt minstens drie keer herhaald, waarbij het orkest een gepast potsierlijke bravoure hanteert. Maar uiteindelijk lijkt achter de horizon bij Sjostakovitsj toch meer hoop te gloren dan bij Hartmann. Had men niet beter déze symfonie aan de collega's kunnen opdragen?

Concert: R. Ph. Orkest o.l.v. Ingo Metzmacher, m.m.v. Cornelia Kallisch, mezzosopraan. Gehoord: 11/6 De Doelen, Rotterdam.

    • Jochem Valkenburg