Griekse woekerpannenkoek

Sommige vakanties zijn vooral vakanties. Je zit, je kijkt, je verbaast je over hoe lang een mens in volstrekte tevredenheid naar het licht op het water kan staren, door zee kan zwemmen en in de zon zitten. Hoeveel rust het geeft om door de bergen te lopen. Zulke dingen. Heel prettig, maar je steekt er verder niet veel van op. Soms is een reisje echter wel leerzaam. Dat was deze keer zo.

Ik leerde eerst iets over economie. Het was op Kreta, in een hoog boven zee gelegen dorpje (Kreta rijst aan de zuidkust nogal stijl op uit zee.) Aan de kust is het toeristisch genoeg natuurlijk, maar de bovendorpen hebben daar jarenlang niets van gemerkt. Nu begint het daar ook een beetje, er verschijnen `rooms' en een welvoorziene bakker (toeristen zijn gek op bakkers) en een extra taverna of twee.

Wij waren twee uur naar boven geklommen naar dat dorp, door een mooie kloof, en we hadden eigenlijk een beetje honger. Maar de taverna's lagen echt ín het dorp, nog twintig minuten lopen, terwijl het oude pad naar het kustplaatsje waar we heen wilden aan het begin van het dorp afboog. Dan de honger nog maar even bewaren, besloten we, en liepen het weggetje in dat naar het begin van ons pad moest leiden.

Er stonden wat huisjes langs en voor één van die huisjes stond een huurauto waar twee mensen bij stonden. Voor het huisje stond een Kretenzisch oud vrouwtje in het zwart en haar man zat er ook, met laarzen en baard en weinig tanden. De vrouw van het Duitse huurauto-echtpaar hield iets in een servetje in haar hand, de man rommelde wat in de auto. De oude Kretenzische beduidde ons dat wij even moesten wachten, wat we wel wilden, want er was daar schaduw en ik wilde haar ook vragen of ze onze waterfles even bij zou willen vullen. De Duitse man was weer uit de auto tevoorschijn gekomen en gaf de Kretenzische wat geld. ,,Wat doet hij nu?'', dacht ik, ,,dat kan helemaal niet, dat is tegen de gastvrijheid.''

De Kretenzische keek wat verbluft naar het kleingeld en mompelde: ,,Wat geeft hij me nu? Dingen.'' ,,Zie je wel'', dacht ik, maar toen zei ze hard: ,,Eén euro vijftig!'' De Duitser zei ,,Wát!'' en tegen zijn vrouw, ,,Ze wil er één euro vijftig voor hebben!'', waarop de Duitse het servetje met inhoud fluks weer op het muurtje bij het huis teruglegde. ,,Willen ze het niet?'', vroeg de Kretenzische. Ze wilde het geld teruggeven, maar de Duitser maakte een gebaar van `laat maar'. ,,Nee, nee'', zei de Kretenzische, ,,ik wil toch geen geld!'' ,,Neem het'', mompelde haar man, maar dat deed ze niet. Geld en Duitsers vertrokken.

Wij raakten even in gesprek, de vrouw vulde onze waterfles en bood ons nu het servetje aan: een klein pannenkoekje zat erin, ,,zelfgebakken'' zei ze, met verse kaas, ook huisgemaakt. Ze hielden schapen en geiten. Wij hadden zoals gezegd trek en hoewel ik 1,50 euro voor een pannenkoekje ook nogal aan de prijs vond, en het eigenlijk ook raar vond dat je nu ineens voor een aardig gebaar moest betalen in het altijd zo gastvrije Griekenland, besloten we dat het toch precies de snack was waar we nu behoefte aan hadden en betaalden. Die mensen zijn arm, dachten we ter verontschuldiging, laat hen nu ook eens een centje aan het toerisme verdienen, voor ons is het niets, etcetera.

Toch voelde het niet goed. Dat kwam door die Duitser die gelijk had dat hij niet was ingegaan op de bescheiden woekerprijs van het oudje, je zou thuis ook niet 1,50 euro voor een stroopwafel gaan betalen. Tegelijkertijd had hij haar wel tachtig eurocent om niet willen geven. Zeventig cent erbij voor een pannenkoekje ging hem weer te ver. Dat is het verschil tussen liefdadigheid en economie.

Wij voelden ons ook een beetje, nu ja, afgezet is een te zwaar woord, maar toch. Omdat de markt, dat was die Duitser, geen 1,50 euro overhad voor dit pannenkoekje en wij het er tóch voor betaald hadden. Onze eigen liefdadigheidsgedachten hielpen daar niet helemaal tegen.

Het had ook nog iets te maken met het verraad van een cultuur. Tien jaar geleden zou het oude vrouwtje nog hebben gezegd: ,,Kom even zitten'' en wat verse kaas voor je neus gezet hebben en water en je onthaald hebben. Dat was trouwens ook altijd gênant, omdat wij zoveel rijker zijn dan zij, en je je schaamde dat zij jou als rijke toerist ging tracteren van haar armoede. Nu had zij succesvol de overgang naar de markteconomie gemaakt en voelde het allemaal nog veel verkeerder. Alsof alles bedorven was. De hele wereld, kun je wel zeggen. Hoe lekker dat pannenkoekje trouwens ook was.

Dit over markteconomie en menselijke omgang. Op een ander moment en een ander eiland konden we juist weer zien dat de Grieken hun cultuur nog helemaal niet geheel hebben opgegeven ten gunste van the global village en het profijtbeginsel. We zaten op een terras aan het strand in Naxos en daar kwam een hele schoolklas aan, of twee schoolklassen, dat kan ook. Ze wandelden het strand op en streken neer bij een bosje. De meesters en juffen verdeelden de kinderen in groepjes, zetten de gettoblaster aan waaruit Griekse muziek klonk en daar ging het: dansles. De kleine Griekjes oefende keurig de pasjes van de chasapiko, een dans waarbij de benen allerlei ingewikkelde bewegingen moeten maken en waarbij knielingen horen en hoofddraaiingen. Sommige kinderen plonsden uit de maat door zee, maar die werden tot de orde geroepen en toen bleken ze het ook best aardig te kunnen. Er werd hard geoefend en je zag hier hoe cultuur werd bijgebracht.

Later zullen deze kinderen, net als de dertig dames die we op een vrolijke avond in een restaurant in Iraklion troffen, gemakkelijk tachtig liederen achter elkaar kunnen zingen, compleet, en ze zullen op Naxische feesten of Atheense dakterassen kunnen dansen tot de sterren verbleken.

Iedereen kan dat namelijk in Griekenland. Zij hebben zoiets als een cultuur, al wordt die dan soms verloochend voor 1,50 euro. Wij hebben niks. Nul dansen. Nul liederen, behalve dan de twee coupletten van het Wilhelmus die bij gelegenheden gezongen worden en ook die heeft niet iedereen er erg goed in zitten. Verder kent bijna iedereen wel een paar regels of titels van ooit bekende liederen (`Waar de blanke top der duinen', `Merckt toch hoe sterck', `Toen Hertog Jan kwam varen'), maar nooit voldoende om eens een heel lied te zingen.

Wel weten wij altijd heel goed overal ten minste 1,50 euro voor te vragen en doen we onze uiterste best om andere mensen hun cultuur en eigenheid te verbieden – ze moeten net zo niksig worden als wij Nederlanders.

Nu ja, dat is gemopper. Maar het was heel leerzaam, daar op de Griekse eilanden. Nu nog het recept van dat pannenkoekje – kan ik een kraampje beginnen...