Fabre en Wagner zijn het eens

De Belgische theatermaker en beeldend kunstenaar Jan Fabre (1958) zegt het zelf in het programmaboek: de thematiek van Wagners Tannhäuser sluit naadloos aan bij zijn eigen fascinatie voor wellust, geweld, schuld, boete en dood. Vanuit die affiniteit voor Tannhäuser en Wagners ideeën over totaaltheater, komt Fabre bij de Muntopera tot zijn eerste operaregie. Zijn Tannhäuser is een controversiële, zeer indrukwekkende voorstelling, die nu al doet uitzien naar Der Ring des Nibelungen die Fabre hierna hoopt te ensceneren. Wanneer is vooralsnog onduidelijk. Maar de gedachte aan de vacature in Bayreuth wegens het terugtreden van filmregisseur Lars von Trier voor een nieuwe Ring-cyclus in 2006, dringt zich op.

Tannhäuser is dooraderd met de op bloed, moed en boete berustende moraal van de dertiende eeuw waarin het verhaal speelt. Maar zowel Wagner als Fabre werd vooral aangetrokken door het faustische gegeven van zinnelijke versus geestelijke liefde. Het is wonderbaarlijk hoe de Fabre typerende parade aan iconografisch dubbelzinnige beelden in deze productie soepel vervloeit met Wagners theatrale en muzikale symboliek.

De Venusberg of -heuvel waar minnezanger Tannhäuser zijn lusten viert is hier een Edense tuin waar seks en geboorte in elkaars verlengde liggen. Achter een kronkelend en baltsend corps de ballet van naakte jongelingen realiseert een live-echografie het vroegste podiumdebuut in de geschiedenis van het muziektheater. We zien de embryo op filmdoek ademen, bewegen. De vrucht is schuldeloos, Tannhäuser niet. Hij ontvlucht Venus en smeekt de hier volop aanwezige Maria terug te mogen keren tot de maagd Elisabeth en zijn mederidders op de Wartburg. Maar hij verliest zich tijdens een hoofse zangwedstrijd opnieuw in een ode aan de wellust. Ondanks zijn als boetedoening ondernomen pelgrimage volgt absolutie pas als zowel Elisabeth als Tannhäuser aan de liefde is gestorven. Aan de pauselijke staf ontspringen blaadjes; Tannhäuser is verlost.

Aan ijzersterke tableaux bestaat in deze productie geen gebrek. Een zwevende falanx van zwaarden kantelt tot een legertje ten hemel geheven kruisen. De pelgrims, indrukwekkend sonoor in het befaamde pelgrimskoor, zijn uitgedost als clowns – archetypen die immers ook altijd overal de schuld van krijgen. Geestig zijn naast de voortdurend ronddansende en likkebaardende seksduiveltjes ook de helmen van de minnezangers, met een vogelkooitje op het hoofd van Walther von der Vogelweide (Daniel Kirch) en een holle monstrans voor Tannhäuser.

De beweeglijkheid van de scenografie contrasteert fel met de personenregie, die opvallend en soms storend statisch is. Zwak is ook de cast, die voor de hoofdrollen vrijwel geheel werd vervangen. De Amerikaanse tenor Louis Gentile (Tannhäuser) ontbeert de nodige vocale souplesse. Vooral in de eerste twee actes storen zijn geknepen hoogte en dito vibrato. Adrienne Dugger is als Elisabeth zowel vocaal als theatraal meer een bedaagde moederfiguur dan een temperamentvolle maagd. Geloofwaardiger is Natascha Petrinsky (Venus), ondanks haar weinig sensueel, wat schurend hoog register. Naast een uitstekende rol van Stephen Milling als landgraaf, is het bariton Roman Trekel die als Wolfram von Eschenbach met zijn fraaie, soepele stem wél volledig betovert – met O du, mein holder Abendstern als fluisterzacht gezongen hoogtepunt.

Voorstelling: Tannhäuser van R. Wagner door de Koninklijke Muntopera o.l.v. Kazushi Ono. Gezien: 9/6 de Munt, Brussel. Herh. t/m 30/6. Inl. www.demunt.be of +3222291200.