De bal aan het parlement

Treffender had de samenloop van omstandigheden niet kunnen zijn.In het openingsweekend van het Europees Kampioenschap voetbal werden in tal van landen verkiezingen voor het Europees Parlement gehouden. De uitslagen druppelden binnen op het moment dat Frankrijk op meeslepende wijze van Engeland won (2-1). Voor nationale ploegen kan men juichen. Europa leeft alleen als het rond is en voetbal heet. Politiek Europa bekoort aanzienlijk minder. De kloof tussen Europese politici en de bevolkingen in de lidstaten is kennelijk te groot. Het parlement is te onzichtbaar; het electoraat voelt zich er in ieder geval niet door vertegenwoordigd. Zij die wel stemmen, neigen in toenemende mate naar een proteststem: kritisch jegens Europa en de heersende nationale politiek. Dat zijn ontwikkelingen die te denken geven.

Europese politici hebben de bedroevend lage opkomst meteen tot `een signaal' aan Brussel en Straatsburg verklaard. Aan zichzelf dus. Dat hebben ze vaker gedaan. De deemoed die eruit spreekt, begint iets vertrouwd-ongeloofwaardigs te krijgen. Ruim 44 procent van de kiesgerechtigden heeft in de 25 lidstaten van de Europese Unie zijn stem uitgebracht; een dieptepunt. De opkomst in de nieuwe lidstaten tekent de malaise. In Slowakije nam minder dan 20 procent van de kiezers de moeite om naar de stembus te gaan. In het grote Polen lag de opkomst op 21,2 procent. Wat is het voor mandaat dat de gekozenen krijgen bij zulke dramatische percentages? Het noopt hoe dan ook tot bescheidenheid. De EU van de toekomst, waarvoor een nieuwe grondwet in de maak is, kan deze electorale en dus existentiële crisis alleen te lijf met soberheid en zelfbeperking. De Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken en Europa-kenner Ben Bot wees daar onlangs nog eens op in een lezing voor de Humboldt Universiteit in Berlijn. Na deze uitslag hebben zijn woorden over het gevoel van onbehagen bij een electoraat dat zich genegeerd en onbegrepen voelt, een voorspellende waarde gekregen. Voor de EU zou vanaf nu moeten gelden dat minder soms meer en beter is en dat het maatschappelijke contract dat de burger met de Unie sluit alleen is waar te maken als de Europese instituties die burger serieus nemen. Daar schort het aan.

Wat rest zijn een paar pijnlijke nationale aframmelingen. In de Europese politiek wordt het niet leuk gevonden, maar de kiezer heeft ook nu weer de kans gegrepen om een tussentijds oordeel te vellen over wat hem of haar in eigen land beroert. De regeringspartijen in Duitsland en Frankrijk werden gestraft voor de werkloosheid en het bezuinigingsbeleid van hun politieke leiders. In Groot-Brittannië verloren zowel Labour als de Tories en liepen veel kiezers over naar de partij die van de regering eist dat het land zo snel mogelijk de EU verlaat. In België won het extreem-rechtse Vlaams Blok voor de zoveelste keer op rij. Het `cordon sanitaire' van de andere partijen pakt steeds weer in het voordeel van Filip Dewinter en de zijnen uit. Eén keer regeringsverantwoordelijkheid voor het Blok, met concessies en al, en het is gedaan met de populariteit. Nederland houdt België een spiegel voor.

De Europese Unie heeft eerder crises doorgemaakt. Ook na deze ontluisterende opkomstpercentages en de winst voor de `eurocritici' zal Europa niet ophouden te bestaan. Maar in zo'n grote en verscheiden Unie wordt crisisbeheersing wel steeds moeilijker. In voetbaltermen gezegd: de bal kan alle kanten op, en soms is er een Zidane voor nodig om hem in het doel te trappen. Dat is een belangrijke uitdaging voor de EU: aansprekend en bescheiden leiderschap. Maar het eerst aan zet is nu het parlement. Dat zal de handschoen moeten oppakken, zo nadrukkelijk door de kiezer neergeworpen.