Bush verliest niet alleen Europese vrienden

Niet alleen tussen Europa en de VS is sprake van vervreemding, ook op het Latijns-Amerikaanse continent neemt het anti-Amerikanisme door de catastrofale Irak-politiek van Bush toe, betoogt Jorge Castañeda.

Toen de Geallieerden uit de TweedeWereldoorlog op de stranden van Normandië bijeenkwamen om de 60ste verjaardag van de landing op D-Day te vieren, ging het gesprek vooral over de verdeeldheid tussen Amerika en Europa met betrekking tot Irak.

Maar Europa is niet de enige die vervreemdt van de Verenigde Staten onder de leiding van George W. Bush. Op de waslijst met onvoorziene gevolgen van het Amerikaanse fiasco in Irak staat ook het feit dat overal in Latijns-Amerika het anti-Amerikanisme toeneemt en dat dit in hoog tempo talloze effecten heeft op de politiek van dit gebied.

De parallel met Europa houdt daarmee niet op. Voor de regering-Bush hebben verscheidene Amerikaanse presidenten erg hun best gedaan om de verhouding tussen de VS en Latijns-Amerika – van overheerser en onderworpen staten – te veranderen in het soort relatie zoals die met de Europese bondgenoten bestaat.

Dit alles is nu ernstig in gevaar, en dat is een gevaarlijke wending van de gebeurtenissen. Een volledige verwijdering tussen de VS en Latijns-Amerika zal niet alleen de betrekkingen in dit werelddeel schaden, maar kan ook nadelig zijn voor bredere denkbeelden die nauw met de VS verbonden zijn. Tal van deze schadelijke bijwerkingen zijn al waar te nemen. Het eerste en hevigste gevolg bestaat uit het sterk dalende prestige van en respect voor de VS en de regering-Bush in de Latijns-Amerikaanse publieke opinie.

Dit was niet het geval bij het aantreden van Bush als president. Integendeel, veel hoofdsteden ten zuiden van de Rio Grande hadden hoge verwachtingen van de ploeg die in 2001 het Witte Huis betrok. In de eerste negen maanden na zijn aantreden verklaarde Bush tenslotte dat hij buitengewoon veel aandacht aan het Amerikaanse continent zou schenken, en zijn daden leken zijn retoriek te ondersteunen. Hij bezocht Mexico eerder dan enig ander land, vernieuwde de `tijdelijk beschermde status' van immigranten uit Midden-Amerika, handhaafde de opschorting door president Clinton van bepaalde handelsbeperkingen tegen landen en bedrijven die zaken doen met Cuba en gaf een nieuwe impuls aan de onderhandelingen om een Amerikaanse vrijhandelszone tot stand te brengen.

Door Irak is dit alemaal veranderd. De inval, de volledige afwezigheid van massavernietigingswapens of van enig verband tussen Saddam Hussein en Al-Qaeda, de foto's van Iraakse burgerslachtoffers en de beelden van de vernederende mishandeling of marteling van Iraakse gevangenen en arrestanten hebben bijgedragen tot een waarschijnlijk blijvende daling van de sympathie voor de VS in het gebied. Dit valt af te leiden uit opiniepeilingen, krantencommentaren, congresresoluties, betogingen op straat en verklaringen op topconferenties.

Een tweede gevolg vloeit rechtstreeks voort uit het eerste. Regeringspartijen of leiders met een sterke anti-Amerikaanse inslag zijn in opmars, in elk geval retorisch gesproken: van burgemeester Andrés Manuel López Obrador van Mexico-Stad tot de Frente Amplio-partij in Uruguay, van Schaddick Handal bij het oude FMLN in El Salvador tot Evo Morales in Bolivia, om nog maar te zwijgen van regeringen zoals die van Hugo Chávez in Venezuela en Nestor Kirchner in Argentinië. Deze anti-Amerikaanse krachten zijn niet per se allemaal links, maar ze staan wel uiterst kritisch tegenover de VS. Naar alle waarschijnlijkheid zullen ze eerder nog heftiger en giftiger dan milder worden, want de publieke opinie lijkt hun houding en toon te belonen.

De vrienden van de VS in Latijns-Amerika voeden het vuur van deze anti-Amerikaanse woede. Ze passen noodgedwongen hun retoriek en houding aan om zich minder sterk te maken voor een politiek die wordt gezien als pro-Amerikaans of die wordt ingegeven door de VS, en om hun verzet tegen de eisen en wensen van Washington te versterken. In veel gevallen zíjn de Amerikaanse eisen en wensen ook strijdig met de Latijns-Amerikaanse belangen en is verzet ertegen op zijn plaats. Maar in andere gevallen komt het verzet tegen de Amerikaanse voorkeuren voort uit publieke sentimenten en gaat het in tegen de instincten van leiders die wel beter weten.

De regering-Bush heeft dit allemaal aan zichzelf te wijten. Ze had ofwel een monumentale fout kunnen vermijden – want dat is Irak inmiddels wel gebleken – ofwel van begin af aan de Verenigde Naties erbij kunnen betrekken. In het ongunstigste geval zou de regering-Bush alleen hebben kunnen handelen, maar dan wel met voldoende slagkracht, deskundigheid en inzet – en met het aangewezen en noodzakelijke respect voor de mensenrechten en het volkenrecht – om het karwei snel te klaren.

In plaats daarvan is de regering-Bush, om redenen die steeds verwarrender worden, haar eigen weg gegaan. Bovendien heeft ze dat gedaan zonder een eindspelstrategie en met een zodanig `ondermaatse' slagkracht dat het wangedrag in de Abu Ghraib-gevangenis bijna onvermijdelijk werd. Daardoor heeft de ploeg van Bush de Amerikaanse vrienden in Latijns-Amerika – evenzeer als in Europa en elders – in een ongelukkige situatie gebracht: terecht niet in staat noch bereid om het dwaze optreden van de VS te steunen en, begrijpelijk, niet genegen om de algemene betrekkingen op het Amerikaanse continent te vergiftigen met het soort felle kritiek dat de plaatselijke publieke opinie verlangt.

Jorge Castañeda is oud-minister van Buitenlandse Zaken van Mexico en nu kandidaat voor het Mexicaanse presidentschap.

© Project Syndicate