BNN is geen constitutionele crisis waard

Het verwijt vanuit de Eerste Kamer dat staatssecretaris Van der Laan zich schuldig maakt aan gelegenheidswetgeving inzake BNN is ongegrond, meent Hendrik Jan de Ru.

Gaat de Eerste Kamer zich profileren ten koste van BNN? Een wijziging van de Mediawet waardoor BNN zou kunnen voortbestaan, zou gelegenheidswetgeving zijn – sommige senatoren vinden dat letterlijk verwerpelijk. Maar is er voldoende reden voor de Eerste Kamer om zich te keren tegen de Tweede Kamer en het kabinet?

Gelegenheidswetgeving heeft een negatieve klank vanuit de gedachte dat wetten algemeen behoren te gelden en niet voor een bepaalde gelegenheid. Juist de Eerste Kamer heeft als chambre de réflexion tot taak ervoor te waken dat wetgeving ,,een rustig bezit'' blijft. In dit gedachtegoed van Thorbecke is gelegenheidswetgeving uit den boze.

Het ideaal van Thorbecke is terug te vinden in wetboeken, zoals het burgerlijk wetboek. Maar bij wetgeving over maatschappelijke voorzieningen ligt dit anders. Bij snelle verandering van techniek, maatschappelijke wensen en de politieke inzichten kan zulke wetgeving geen langdurig, algemeen geldend, rustig bezit zijn. Zo vereisen nieuwe mobiele communicatie en internet een voortdurende stroom aan wetswijzigingen en bij energie en milieu is dat niet anders.

Ook de Mediawet is nooit een rustig bezit geweest. Bijna ieder artikellid draagt het stempel van zijn tijd: de tijd van Hilversum 1 en 2, de tijd van Nederland 1, 2 en 3, van de opkomst van de commerciële omroep en de reclame, van lokale of regionale omroep, van antennewouden op daken, van kabel, van digitalisering enzovoorts.

Ook de wetgeving voor de publieke omroep werd snel en ingrijpend gewijzigd. Het monopolie maakte plaats voor concessies voor tien jaar, wat al spoedig vijf jaar werd om ,,tijdig te kunnen inspelen'' op veranderingen. In 2000 verdwenen de A-, B- en C-omroepen met minimum ledentallen van respectievelijk 450, 300 en 150 duizend en er kwam slechts één ondergrens van 300.000. De aspirant-status kreeg een drempel van 50.000 in plaats van 60.000, en wel voor vijf in plaats van voor twee jaar. BNN kreeg toen een overgangsregeling met 100.000 leden. Het verwijt van gelegenheidswetgeving miskent de structurele behoefte aan dit soort wetgeving. Het is daarom onjuist. Het verraadt hooguit gelegenheidsverzet en het valt daarmee in zijn eigen zwaard.

Het verwijt uit de Eerste Kamer is ook niet terecht, omdat de staatssecretaris wel degelijk een algemeen probleem oplost. Van de gevestigde publieke omroepen, EO, KRO, NCRV, TROS, VARA en VPRO verliezen de meeste gestaag leden. De meeste hadden tot voor kort nog meer dan 400.000 leden, een enkeling al niet meer. Wie onder de 300.000 zakt. moet per 2005 verdwijnen. Zakken zal nog sneller gaan na het vrijgeven van de programmagegevens. Voor nieuwe omroepverenigingen is de ondergrens van 300.000 niet haalbaar. De oplossing van het wetsvoorstel, dat dateert van het najaar van 2002, is dat omroepen met ledentallen tussen de 150.000 en de 300.000 mogen doorgaan met de helft van de zendtijd en de middelen. Dat wenste de Tweede Kamer eveneens en toen het vorige kabinet demissionair was, werd het voorstel dan ook niet controversieel geacht.

De staatssecretaris zegt terecht dat BNN weliswaar de aanleiding was, maar dat het probleem van verbetering van openheid en continuïteit een lagere drempel vereist van 150.000, zowel om starters een kans te geven als om bestaande omroepen een vangnet te bieden. De Commissie visitatie publieke omroep (Commissie-Rinnooy Kan) biedt de staatssecretaris met haar onlangs gepubliceerde rapport nog meer argumenten. Zij gaat al uit van de nieuwe drempel van 150.000. Zij bepleit dat de publieke omroep ,,van en voor iedereen'' is en een breed publiek bereikt. Zij vraagt sterkere profilering op grote maatschappelijke doelgroepen, waaronder jongeren en allochtonen. Zij vraagt ook meer centrale sturing, verbetering van de organisatie, innovatie en meer jong en creatief talent.

In dat licht zou het alsnog slachtofferen van BNN extra wrang zijn, nu de Commissie-Rinnoy Kan heeft geconstateerd dat deze omroep een belangrijke functie binnen de publieke omroep vervult, met een herkenbare positie en met hoge groeicijfers, zij het dat zij vindt dat BNN zich nog wat moet aanpassen aan het bestel. Kortom, een puber om te koesteren en de staatssecretaris heeft dat begrepen.

Met haar zeer recente, snelle reactie op het rapport van de Commissie-Rinnoy Kan heeft de staatssecretaris intussen haar korte- en een langetermijnbeleid uiteengezet. Dat vergt weer verdere aanpassing van wetgeving, waarvoor de staatssecretaris zelfs de hoofdlijnen heeft aangegeven. Dat vergt natuurlijk eerst nog overleg met en instemming van de Tweede Kamer, voordat de Eerste Kamer zich daarover zal kunnen uitspreken. Het wetsvoorstel dat al een paar weken bij de Eerste Kamer ligt, kan juist nu de rust brengen die bij de omzetting van het beleid in nieuwe wetsvoorstellen nodig is.

Kortom, de staatssecretaris heeft goede gronden voor haar voorstel. De vraag rijst derhalve of de Eerste Kamer zich dan juist in deze zaak een constitutionele crisis op de hals moet halen.

Hendrik Jan de Ru is hoogleraar staats- en bestuursrecht aan de faculteit der rechtsgeleerdheid van de VU.