Wilde natuur

Tussen Den Haag en Rotterdam is een natuurgebied in ontwikkeling. Waar eens de koeien het gras aten, en hier en daar een geriefhoutbosje het weiland versierde, groeien nu wilde graspollen en ongeschoren heesters. De wind voert zaden aan, waaruit planten ontstaan die op andere grond meteen als onkruid zouden worden verwijderd maar hier automatisch hun verblijfsvergunning krijgen. Ongestoord broeden de vogels. Van de trein uit gezien maakt dit reservaat een rommelige indruk. Als ik ernaar kijk, denk ik aan de oude Nederlandse landschapsschilders. Op hun doeken staan achter rustieke houten hekjes koeien te grazen in keurig door sloten begrensde weilanden. Of ze liggen te herkauwen. Mooie Nederlandse natuur.

Nu verdwijnt de koe uit ons landschap. Er groeit een generatie op die de koe alleen nog ziet als een door runderpest getroffen dier in de grijper van een hijskraan of als biefstuk op het bord. Paarden zie je alleen bij rellen, als er een agent op zit. Hebt u wel eens de kans gekregen, een koe recht in de ogen te kijken, op de vlakke hand een paard een worteltje te presenteren? Het dier duidelijk te ruiken, het warme gesnuffel uit de grote, bedonsde neusgaten te voelen, de lippen over uw handpalm? Dan bent u ouder dan veertig, op z'n minst.

Wat ik nu vertel is een paar jaar geleden gebeurd. In een wat groter gezelschap zat ik naast een Ierse dichter. De hemel zal weten hoe het kwam, maar opeens vroeg hij: ,,Spreek jij honds?'' Ik antwoordde met een bevestigende blaf. Hij blafte terug. Ik was het er niet mee eens en gaf mijn commentaar. Andere dichters mengden zich in het gesprek. Een paar honden uit de omgeving waren nieuwsgierig geworden, kwamen voorzichtig om de hoek kijken en begonnen, nadat ze hun verlegenheid hadden overwonnen, mee te blaffen. Toen informeerde de Ier of ik ook een beetje kips sprak. Vanzelfsprekend. We gingen over op getok. Zelden heb ik een zo geanimeerde avond meegemaakt.

Veel mensen weten dat niet, maar als ze dat werkelijk willen, kunnen ze gemakkelijk de taal van een of andere diersoort leren spreken. Jonathan Swift wist het. Als kapitein Lemuel Gulliver in het land van de beschaafde paarden, de Houyhnhnms terechtkomt, heeft hij al vlug een beetje hinniken geleerd. Dat land wordt door nog een andere diersoort bewoond, de Yahoos, die zo ver zijn gevorderd dat ze meer op mensen dan op apen lijken. Afgrijselijke, schreeuwende en tierende wezens zijn het. Met vooruitziende blik en zwarte humor heeft iemand zijn internetbedrijf naar de Yahoo genoemd. Als Gulliver eindelijk weer terug in Engeland is, kost het hem moeite te wennen. Hij gaat eerst een paar dagen in de stal logeren.

Kippenhokken zijn ook zeldzaam geworden, zelfs op het platteland. Je hebt de legbatterijen en de hobbykippen. Wat een woord: hobbykip. Stel dat u in reïncarnatie gelooft, dan moet u de kans onder ogen zien dat u terugkeert als een hobbykip. In ieder geval is het beter dan in een legbatterij te zitten. Niemand, geen toevallige passant blijft daar staan om een praatje met de bewoners te maken. Terwijl het zo eenvoudig is en zo dankbaar. Er is waarschijnlijk geen dier dat je sneller aan de praat krijgt dan een kip.

In de industriële wereld wordt al jaren ernst gemaakt met het behoud van de natuur. Hierboven noemde ik dat stuk land in de buurt van Delft. Tussen Almere en Lelystad liggen de Oostvaardersplassen, een mooi reservaat met ongetemde Poolse paarden. Het eiland Tiengemeten in het Hollands Diep wordt `aan de natuur teruggegeven', dat wil zeggen: men laat het onderlopen. Maar dat is opzettelijk gemaakte wilde natuur, beschermd, vertroeteld. Ik vind het allemaal mooie initiatieven, maar het is niet wat ik bedoel. Natuurlijk vind ik het fijn dat er voor het eerst na zestien jaar in ons land weer een in het wild geboren otter is aangetroffen. Maar het gaat me om de natuur van alledag in de directe omgeving. De echte Nederlandse natuur onderscheidt zich door haar groene, ruisende kalmte. Denk aan De Stier van Paulus Potter: stier, koe, twee schapen en een ram, met de boer onder een boom. Misschien hebt u nog een oud koektrommeltje met De Stier op het deksel. Koekjes eten hoort bij de vredige nationale natuur.

Ik schrijf dit stukje onderweg, zittend aan een tafeltje in een McDonald's, onder een luidspreker die onophoudelijk monotone hitsigheid braakt, naast iemand wiens mobieltje de eerste maten van Beethovens Für Elise laat horen als hij `gebeld' wordt, in de buurt van het koffieapparaat dat met hoog gekrijs de verse bonen maalt en dan met een ander soort lawaai kokende melk in het zetsel spuit. Cappuccino. Intussen zijn verderop twee kinderen van een jaar of acht elkaar gillend te lijf gegaan. Met zware meppen worden ze door hun moeder bedwongen. In mijn directe uitzicht zit een buitengewoon vet echtpaar hamburgers te schransen. En waarachtig, daar komt een jong Hollands natuurmens binnen. Het is warm, je kunt zijn tatoeages goed zien en boven zijn rechter oorlel prijken drie ringetjes. Ik tik dit stukje in de nieuwe wilde natuur.