Was ik een kat, ik was gaan blazen

`De vraag is hóe vrij columnisten zijn', sprak de kop van een opiniestuk mij bestraffend toe, in de krant van afgelopen dinsdag, en onmiddellijk voelde ik mijn haren overeind gaan staan. Was ik een kat, ik was gaan blazen.

Toch las ik verder, en zag dat het stuk, van freelance journalisten Dorine Hermans en Daniela Hooghiemstra, een wat late bijdrage was aan de Brabo-affaire van Youp van 't Hek. Voor wie al twee weken slechts oog heeft voor voetbalnieuws vat ik het even samen: Van 't Hek publiceerde een `satirische' column waarin hij de hoofdredacteur van het Brabants Dagblad, Tony van der Meulen, uitmaakte voor een hoerenloper die bovendien zijn stagiaires verleidt, en alles natuurlijk op kosten van zijn krant. Het verhaal bleek pure fictie – Van 't Hek was boos omdat een verslaggeefster van het Brabants Dagblad hem zonder zijn toestemming had gevolgd, `gestalkt' zoals hij het noemde, en nam op deze manier wraak. Heel Brabant was woedend, Van der Meulen stuurde een ingezonden brief naar deze krant, en tal van andere boze brieven volgden.

Het was nogal wat ophef, en ontstaan uit niets anders dan komische, schromelijke zelfoverschatting: Van 't Hek maakte de fout te denken, ten eerste, dat het iemand ook maar iets kan schelen wat hij uitspookt in Den Bosch, en ten tweede, dat het voor de rest van Nederland ook maar iets uitmaakt wat er geschreven wordt in het Brabants Dagblad. Want, zonder meteen te willen vervallen in Brabo-bashing – ik kom zelf ook uit het zuiden – moet het toch maar gezegd: een roddelreportage in het Brabants Dagblad, echt, who cares?

Van 't Heks reactie is wel begrijpelijk; columnisten neigen van nature naar grootheidswaanzin. Beroepsdeformatie waarschijnlijk, je heerst als een verlicht despoot over je eigen autonome keizerrijkje binnen de krant, en kunt naar eigen inzicht protocollen uitvaardigen of oorlogsverklaringen de wereld in sturen, zonder rekening te hoeven houden met een ministerraad die je terugfluit. Tenminste, zo ziet de columnist dat graag.

In werkelijkheid is een columnist niet meer dan een hofnar die alles mag zeggen omdat 'ie eigenlijk toch niet helemáál serieus wordt genomen. Een persoonlijke mening heeft per slot van rekening niet hetzelfde gewicht als gedegen onderzoek, verslag, cijfers, foto's. Er zijn nogal wat columnisten die hierover in ontkenning verkeren, en hun `keek op de week' presenteren als bindend advies aan de powers that be, die daar om onbegrijpelijke redenen toch telkens weer geen gehoor aan geven. Maar, laten we eerlijk zijn, als ze zich écht nuttig wilden maken, zouden ze beter onthullende onderzoeksjournalistiek kunnen bedrijven, reportagestukken schrijven, verslag uitbrengen vanuit oorlogsgebieden. Het zijn de reportages uit Darfur, de uitgelekte memo's over martelen, die de publieke opinie bepalen, niet het leger aan columnisten dat vervolgens tut-tut roept.

Een hofnar dus, die het vrijstaat rare dingen te roepen, en met een beetje mazzel zit er af en toe iets bij dat de plank ráák slaat, een interessante gedachte, scherpe analyse of fraaie zinswending. Maar totale vrijheid is daarvoor een eerste vereiste, en die vrijheid dankt de columnist aan het feit dat hij of zij op persoonlijke titel spreekt, nooit namens de krant.

Hooghiemstra en Hermans zijn het hier niet mee eens. Zoals de kop van hun stuk al aangeeft, betogen deze onverschrokken hoedsters van de gevestigde orde – bekend van hun insidersartikelen over oud geld en het koningshuis – dat er gradaties zijn in de vrijheid van columnisten. `Hoofdredacteuren moeten de vrijheid van meningsuiting koesteren en beschermen, door in te grijpen op de momenten dat zij wordt misbruikt.' Het tweetal eindigt met een oproep aan Van der Meulen om toch vooral te gaan procederen – tegen de krant, niet tegen Van 't Hek.

En kijk, zo werd iets dat begon als een scheet in een orkaan tot een waarachtig ijkpunt van de persvrijheid in Nederland. Een teken dat de komkommertijd nu echt is begonnen? Nee, want zulke ideeën horen we de laatste tijd wel vaker.

Vorige maand nog, nota bene op een congres over persvrijheid in Amsterdam, trok minister Donner fel van leer tegen de persvrijheid, die wat hem betreft zeker niet absoluut is, en ten onder gaat `niet door gebrek aan vrijheid, maar door te veel'. Vooral het `voortdurend aan de kaak stellen van het onvermogen van overheden' zat hem dwars. Zinspelend op overheidsingrijpen verklaarde Donner dat de pers zelf het initiatief moest nemen tot regulering.

Het maakt allemaal deel uit van een nieuw intellectueel klimaat in Nederland, waarin de roep om censuur steeds sneller en vaker klinkt, zodra iemand ook maar iets niet zint. Of het nu gaat om satire op het koningshuis, de vermeende, te harde toon van het debat (weer zo'n voorbeeld van schromelijke overschatting van de invloed van stukjesschrijvers), of een boek waarin wordt betoogd dat homo's van gebouwen moeten worden gegooid: mond houden, verbieden, verbranden, is de eerste reactie.

Maar, zoals burgemeester Cohen onlangs zei in Vrij Nederland: `De vrijheid van meningsuiting wordt pas ingewikkeld als je het écht niet met elkaar eens bent. Juist op zo'n moment doet zij ertoe.' Het lijkt erop dat dat meer en meer wordt vergeten, hier.

Ondertussen lijkt de Brabo-affaire toch nog een gemoedelijk einde te krijgen. Van der Meulen reageerde op de enig juiste wijze: hij weigerde te procederen en hield het bij een ingezonden brief: `omdat ik als hoofdredacteur de hoeder wil zijn van het vrije woord en daarom niet ga procederen tegen een columnist'. Gesproken als een heer. Van 't Hek ging, voor zijn doen dan, diep door het stof, publiceerde een verkapte verontschuldiging en kondigde aan graag binnenkort met Van der Meulen een biertje te willen pakken op een terrasje in Den Bosch. Lof voor de zelfregulering van de media.

Een biertje op een terrasje in Den Bosch is waarschijnlijk wat te ambitieus gedacht, maar wanneer biedt minister Donner nou eens zijn excuses aan?