Vertrouwen dat het goed komt

Pedagoog Rien van IJzendoorn kreeg deze week de Spinoza-premie voor zijn onderzoek naar gehechtheid. Een gesprek over paniek-huilen en de pluim van Hektor.

VROLIJKE EN SOMS ook minder vrolijke geluiden dringen door in de werkkamer van prof. Rien van IJzendoorn. Er spelen kennelijk kinderen bij het Leidse universiteitsgebouw. Het is een toepasselijk achtergrondgeluid: de hoogleraar Gezinspedagogiek kreeg eerder deze week een Spinoza-premie van 1,5 miljoen euro vrij te besteden onderzoeksgeld van NWO en hij dankt die eer aan zijn onderzoek naar de gehechtheidstheorie, over de binding tussen ouder en kind.

``Erg leuk ook dat de premie naar Spinoza is genoemd'', zegt Van IJzendoorn opgewekt. ``Spinoza was de eerste die onderzoek naar emoties serieus nam. Maar van kinderen had hij weinig verstand. Hij vond dat die met straf en beloning moesten worden afgericht. Onzin natuurlijk''. In gedachten heeft Van IJzendoorn het geld al twee keer uitgegeven. Maar in ieder geval zal hij een deel besteden aan onderzoek naar kindermishandeling.

Van IJzendoorn is onder meer bekend geworden door baanbrekend onderzoek naar de manier waarop gehechtheid van de ene generatie naar de volgende wordt doorgegeven. Maar hij constateerde onlangs ook dat interventies in de eerste levensjaren (in de vorm van opvoedingsondersteuning) vooral goed werken als ze niet te lang duren. ``Als ze te lang duren, wordt de toestand in zo'n gezin soms juist erger, zo blijkt'', aldus Van IJzendoorn, die het artikel daarover in Psychological Bulletin (maart 2003) daarom de titel Less is more meegaf.

Van IJzendoorn: ``In het eerste levensjaar van hun kind weten sommige ouders niet hoe ze er mee om moeten springen. Opvoeding is een beetje geïsoleerd geraakt tussen de vier muren van de eengezinswoning. Het is niet meer openbaar. Met relatief lichte middelen zoals een videofeedbackinterventie van – zeg vier keer een paar uur, kun je ouders dan op een heel ander spoor zetten, zo heeft collega Femmie Juffer in adoptiegezinnen laten zien. Wat je veel ziet is dat ouders te weinig afwachtend zijn. Ze nemen niet de tijd om het kind te observeren. Wat wil dat kind nou eigenlijk? Niet gelijk de fles erin als het huilt! Ouders kunnen de nonverbale signalen niet altijd goed aflezen. Ze beseffen ook niet dat heel jonge kinderen al communicatieve wezens zijn. Ze lijken soms te denken: `een baby is een plant, die moet je een beetje water geven en dat is het dan'. Terwijl er juist in die eerste levensfase van alles gebeurt dat voor de emotiehuishouding van het grootste belang is. Dan ontstaat de gehechtheid, dan ontstaat de basis van de omgang met stress. Het zijn vaak kleine dingen. Bijvoorbeeld een kind niet aan iets zetten dat het absoluut nog niet kan. En je moet verschillende soorten huilen van elkaar onderscheiden. We hebben in een ander onderzoek aangetoond dat als je reageert op iedere kik, je het huilen juist versterkt. Als het daarentegen echt paniek- of hongerhuilen is, dan kun je dat nooit versterken door er op te reageren. Sommige mensen weten dat niet.''

Waarom intensievere en langdurige interventies weinig opleveren is niet helemaal duidelijk, maar de grote complexiteit van zo'n onderneming speelt zeker een rol. ``Een hulpverlener krijgt dan de opdracht niet alleen gedragsfeedback te geven, maar ook therapie. Hij moet met die ouders over het verleden gaan praten en ook nog eens zorgen dat de ww-uitkering op tijd komt. Die ballen houd je niet allemaal in de lucht en dan gaat niets meer goed.''

Er gebeurt veel in het gehechtheidsonderzoek. De gehechtheidsheorie maakt sinds de jaren zeventig een zegetocht door de pedagogiek. Kortweg komt de theorie erop neer dat in de eerste levensjaren kinderen zich hechten aan hun ouders of andere verzorgers.

Wat is die gehechtheid precies? Het lijkt wel gewoon liefde.

Van IJzendoorn: ``Het is de liefde van kinderen voor hun ouders niet de kinderliefde van ouders. Centraal staat de overtuiging dat wanneer de nood aan de man komt er iemand is die zal zorgen dat het toch in orde komt. Dat lijkt nu vanzelfsprekend. Maar lange tijd werd gedacht dat gehechtheid afhankelijk was van de materiële verzorging, de voeding. Liefde ging door de maag, vonden de psychoanalyse en ook het behaviorisme [dat alle gedrag uit conditionering probeerde te verklaren]. Maar in de jaren zestig bleek met Harlows beroemde apenexperimenten dat het toch echt gaat om wat Rudy Kousbroek de aaibaarheidsfactor heeft genoemd. Hoe ontvankelijk is de ouder voor signalen van stress en onrust bij het kind en in hoeverre is hij bereid er op te reageren en bij het kind het vertrouwen te wekken dat het ondersteund wordt? Het gaat om knuffelcontact, om sensitiviteit, niet om fysieke verzorging.''

Bij gehechtheid zijn er belangrijke verschillen tussen wat `veilige' en `angstige' gehechtheid heet. Bij veilige gehechtheid ontstaat inderdaad vertrouwen in de zorg van de ouders – met allerlei positieve effecten voor de stressregulatie bij het kind. Maar soms gaat het minder goed. ``Dan krijg je angstige gehechtheid. Dat hoeft niet rampzalig te zijn, hoor. Het is een strategie van het kind in een niet-optimale maar ook niet dramatisch slechte omgeving om toch het maximale aan nabijheid van de ouder te bereiken'', aldus Van IJzendoorn.

Er zijn twee soorten angstige gehechtheid: vermijdend en ambigu angstig. Van IJzendoorn: ``Vermijdende gehechtheid ontstaat als een ouder heel goed op het kind kan reageren wanneer het kind zich blij en positief gedraagt, maar heel veel moeite heeft met een huilend kind. De ouder heeft daar geen geduld voor. Het kind zal dat soort gedrag dus gaan dempen, om geen negatieve reactie bij de ouder op te roepen. Het zal eerder een stapje terug doen.'' Je hebt ook ambigu-angstige gehechtheid, anxious-resistant in het Engels. Van IJzendoorn: ``Dan is het precies andersom. Die kinderen reageren juist heel fel en schreeuwerig, omdat hun ouders wèl in beweging komen voor dat gedrag. Dat zijn vaak ouders die het héél goed willen doen, veel beter dan hun eigen ouders. Inderdaad, dat zijn kinderen die soms in de supermarkt op de grond gaan liggen huilen, ja.''

De verschillende vormen van gehechtheid komen tot uiting in een klassiek diagnostisch experiment. Het kind wordt in een observatiekamer achtergelaten door de ouder, die vervolgens weer terugkomt om het kind te troosten. Uit de reacties van het kind en de snelheid waarmee het valt te troosten is de vorm van gehechtheid af te lezen. Ongeacht eventueel verdriet bij het vertrek van de ouder zal een veilig gehecht kind interactie zoeken met de ouder als die terugkeert, soms intensief, soms van een afstand. Een vermijdend gehecht kind zal niet erg verontrust lijken als de moeder vertrekt en ook niet erg blij als ze terugkomt. Het zal net zo gemakkelijk door een vreemde als door de moeder worden getroost. Een ambigu gehecht kind zal bij terugkeer van de ouder (fysieke) weerstand bieden, maar tegelijk ook contact zoeken.

Maar er is nog een ander soort gehechtheid. Ernstiger dan de angstige vorm is de gedesorganiseerde gehechtheid, een recentere ontdekking waarbij het kind in feite geen stabiele strategie meer lijkt te hebben. Van IJzendoorn: ``Hier in de spelkamer kunnen die kinderen zich lang `gewoon angstig' of `gewoon veilig' gehecht voordoen. Maar ergens in die episode redden ze het dan toch niet meer. Dan zakken ze door het ijs, worden ze overweldigd door wat er gebeurt. Ze bevriezen als het ware en vertonen in feite helemaal geen gedrag meer. Ze weten niet of ze nu toenadering tot die ouder moeten zoeken of zich beter uit de voeten kunnen maken. Dat is gedesorganiseerd.''

Hoe vaak gaat het fout?

``Gehechtheid is een universeel menselijk kenmerk. Als je alle onderzoeken over de hele wereld samen neemt, blijkt telkens ongeveer tweederde van de jonge kinderen `veilig gehecht'. De rest is `angstig gehecht' – in een van de twee vormen. En dwars daardoorheen blijkt 15 procent van de kinderen `gedesorganiseerd gehecht', soms met als onderliggende strategie een veilige gehechtheid, maar meestal een angstige gehechtheid. En van gedesorganiseerde gehechtheid is aangetoond dat die kinderen ook op de wat langere termijn, in de kleutertijd, op de basisschool, meer agressie tonen en zich ook ongelukkiger voelen in de peer group dan de andere kinderen. Hun stressregulatie is een probleem, dat zie je aan hartslag en stresshormonen.``Ieder kind wordt geboren met die neiging om gehecht te raken. Er zijn daarover al prachtige passages te lezen in de Ilias van Homerus: bij het afscheid van Hektor van zijn vrouw Andromache en zijn zoon Astyanax. Het kind schrikt van de pluim op Hektors glimmende helm en zijn bebloede kleren. Hij duikt weg in de armen van zijn min, de oppas. Hektor zet de helm af en gaat spelen met zijn zoon om hem gerust te stellen. Binnen een minuut is het over. Dat is typisch het mechanisme van veilige gehechtheid: ouders veroorzaken angst, ze zien het, ze zijn in staat zich in te leven in het kind en zijn behoefte, ze gaan spelen en het is weer goed. Dan geeft Hektor het kind aan de moeder, Andromache, die weet dat dit de laatste keer is. Hektor zal sterven op het slagveld. Wat een scène!''

Dat Astyanax in de armen van zijn min vlucht, betekent dus dat het ventje niet alleen met zijn ouders maar ook met zijn verzorgster een goede gehechtheid heeft? Een klassieke crèche-scène eigenlijk?

``Precies. Wij hebben dat een tijdje geleden onderzocht. We brachten vader, moeder èn een crècheleidster, met het kind in een stressvolle situatie hier in het lab, in de spelkamer. Aan alle drie bleek een kind zich veilig te kunnen hechten. Niet altijd natuurlijk. Voor gehechtheid aan een crècheleidster is zo'n 3 à 4 maanden intensieve interactie nodig, met niet iedere week een ander op de groep. We zagen hier exacte kopieën van die scène met Hektor.''

Wat ziet u als uw belangrijkste ontdekking? Dat dus minder interventie beter is?

``Nee, het belangrijkste vind ik zelf een eerder onderzoek dat ook gepubliceerd is in Psychological Bulletin (mei, 1995). Het gaat daar om de transmission gap. We weten dat het beeld, de mentale representatie, van ouders van hun eigen gehechtheidservaringen in de kinderjaren invloed heeft op de gehechtheid van hun kinderen. Dat verband is heel sterk. Altijd is gedacht dat gehechtheid werd overgedragen door het dagelijkse gedrag van de ouders, door hun sensitiviteit voor wat een kind wil. Ik heb in een meta-analyse van onderzoek naar die kwestie laten zien dat sensitiviteit maar zeer ten dele een rol speelt in die overdracht. Sensitiviteit is de gevoeligheid van ouders voor signalen van het kind van stress, spanning en ongemak. Dat wordt gemeten in spelsituaties, met video-opnamen. Het gaat soms om heel subtiele signalen, en hoe snel ouders er op reageren, en hoe adequaat. Dat blijkt maar een kwart van de overdracht van ouder naar kind te verklaren. Ongeveer driekwart van de overdracht van ouder naar kind is dus nog onverklaard. Dat is het gat in de overdracht.''

Maar dan is een goede of slechte gehechtheid van een kind ook maar voor ongeveer een kwart te verklaren uit die sensitiviteit van de ouders?

``Ja.''

Maar wat kan het anders zijn? Een genetische factor?

``Tja, we weten het nog steeds niet. Dat is waarom ik dit zo'n belangrijke ontdekking vind. Het leidt tot nieuw onderzoek. Ook naar genetische factoren. En dat paste tot voor kort niet in het theoretisch concept. Bij de gehechtsheidstheorie leek het vooral om omgevingsfactoren te gaan. In onze onderzoeksgroep, onder leiding van collega Marian Bakermans-Kranenburg, hebben we een grote tweelingenstudie naar erfelijke factoren gedaan, maar daar is een sterke omgevingsinvloed uit gekomen. Vooralsnog lijkt de verklaring dus niet genetisch te zijn. We zijn nu gestart met DNA-onderzoek. Misschien zijn sommige kinderen genetisch kwetsbaarder voor een ongunstige omgeving.''

Hoe belangrijk is een goede gehechtheid voor succes en geluk in het verdere leven?

``Het is belangrijk. Maar die eerste paar jaar is nou ook weer niet allesbepalend voor de rest van de levensloop. Mensen zijn toch behoorlijk flexibel. Ik ontleen dat oordeel onder meer aan onderzoek naar het effect van de holocaust, dat ik met mijn Israëlische collega Avi Sagi heb gepubliceerd in het American Journal of Psychiatry (juni 2003). In een aantal situaties kan het dus goed zijn om je af te sluiten voor negatieve emoties van jezelf en anderen. Holocaustoverlevenden hebben zich afgesloten van al die ellende en zich op de toekomst gericht. Als de werkelijkheid te overweldigend is, moet je misschien de gordijnen maar laten zakken.

``Maar voor het kind zèlf is het daar ben ik wel van overtuigd veel prettiger om veilig gehecht te zijn. Wij zien dat ook aan de fysiologie met onderzoek van de hartslag, huidgeleiding, stresshormonen. Een veilig gehecht kind zit beter in zijn vel. Daarom zie je in alle culturen die onderzocht zijn dat er moeite wordt gedaan kinderen veilig te laten hechten. Overal is meer dan de helft van de kinderen veilig gehecht. Bijvoorbeeld bij de Dogon, een heel arm volk in Mali. Daar bestaat een duidelijke verbreding van de opvoedingssteun. Als de nood aan de man is, nemen anderen de zorg over van de moeder en dat werkt. Het dragen van kinderen op de rug of de buik is een andere manier om de aaibaarheidsfactor tot zijn recht te laten komen.

``Hoe dat later allemaal uitpakt, is afhankelijk van zo veel factoren. Gehechtheid heeft invloed op de diepste emoties die te maken hebben met intieme relaties. Er zijn zoveel andere zaken – cognitieve factoren, sociale mogelijkheden, taalvaardigheid – die de kwaliteit van het leven bepalen en die bepalen of kinderen zich sociaal of antisociaal ontwikkelen. Soms denk ik wel eens dat waar wij mee bezig zijn gewoon te complex is voor onze onderzoeksmethoden. Gehechtheid verklaart veel maar niet alles. Er schuilt daarom een groot gevaar in de reductie naar één verklaringsmodel.''