Serviërs erkennen moorden Srebrenica

Een commissie van de Servische Republiek in Bosnië concludeert dat Bosnische Serviërs verantwoordelijk zijn voor de moord op meer dan zevenduizend moslim-mannen in Srebrenica in 1995. De regering van de Bosnische Serviërs heeft de massamoord altijd ontkend.

De massamoord wordt in het gisteren verschenen rapport geen genocide genoemd. Het Joegoslavië-tribunaal in Den Haag bestempelde eerder dit jaar de massamoord in Srebrenica, een moslimenclave die destijds door Nederlandse militairen werd bewaakt, wel als genocide.

De commissie – die bestond uit vijf Bosnisch-Servische juristen, een moslim-onderzoeker en een internationale deskundige – spreekt van ,,ernstige'' schendingen van de mensenrechten en een poging om bewijsmateriaal te verdoezelen. Het rapport beschrijft ook 32 tot nu toe onbekende massagraven. Vier daarvan zijn originele graven, in de overige 28 werden lijken herbegraven om ontdekking te voorkomen. De commissie heeft 7.779 namen van vermiste personen van het drama in Srebrenica achterhaald. Tot nu toe zijn 1.332 lijken geïdentificeerd.

Commissievoorzitter Milan Bogdanic noemt het rapport ,,historisch''. Volgens Bogdanic zullen de Bosnische Serviërs hun betrokkenheid ,,onder ogen moeten zien''. Paddy Ashdown, VN-bestuurder in Bosnië die de Serviërs anderhalf jaar geleden dwong tot dit onderzoek, hoopt dat het rapport een indicatie is van een nieuwe bereidheid om hun verantwoordelijkheid te nemen.

Critici zeggen echter dat er pas sprake is van werkelijke erkenning van schuld, als de Bosnisch-Servische regering zou meewerken aan arrestatie en berechting van de daders van de massamoord. Nog maar anderhalve maand geleden was Ashdown woedend omdat de autoriteiten van de Servische Republiek in Bosnië de commissie dwarsboomden. De commissie had Ashdown toen laten weten dat ze werd gehinderd bij het verkrijgen van toegang tot documenten en getuigen. Ashdown dreigde met het intrekken van financiële steun aan de Servische Republiek.