Selectie aan de poort

Voormalig staatssecretaris Nijs heeft tijdens haar bewind herhaaldelijk te kennen gegeven een hartgrondige afkeer te hebben van het maaiveld. Het moest maar eens afgelopen zijn met de angst je hoofd daar bovenuit te steken. Haar kreten waren niet aan dovemansoren gericht, want wat Nijs riep sluit naadloos aan bij de heersende tijdgeest. Zo vond haar pleidooi een warm onthaal bij bestuurders in het tertiair onderwijs op zoek naar profilering. Iets vergelijkbaars zagen we in het voortgezet onderwijs. Ook daar het beeld van scholen die zoeken naar mogelijkheden om zich te profileren.

Er zijn dus twee bewegingen die beide consequenties hebben voor de status van het einddiploma havo of vwo. Aan de ene kant universiteiten die (willen) selecteren en daarom het eindexamen niet langer beschouwen als het enige toelatingscriterium; aan de andere kant scholen die het eindexamen zien als een sta-in-de-weg om het onderwijs naar eigen inzicht in te richten. Bijvoorbeeld omdat ze vakken geïntegreerd willen aanbieden, om daarmee beter aan te sluiten bij actuele wetenschappelijke ontwikkelingen.

Hiermee dreigt een einde te komen aan de waardevolle traditie van het einddiploma havo of vwo als een gegarandeerd toelatingsbrevet voor het tertiair onderwijs. Maar, vraag ik me hardop af, komt dit nou inderdaad alleen maar door de tijdgeest die wil dat alles wat in de ogen van Nijs en consorten egalitair is, per definitie niet deugt?

Ik denk dat we hier ook andere krachten aan het werk zien. De tijdgeest wordt namelijk gesteund door een aantal ontwikkelingen. In de eerste plaats door het feit dat het niveau van studierichtingen binnen het tertiair onderwijs grote verschillen kent. Die differentiatie is niet het gevolg geweest van bewuste politiek, maar het platvloerse gevolg van het streven van universiteiten en hogescholen om zoveel mogelijk studierichtingen in stand te houden, desnoods door de benodigde studenten te lokken met verlaagde toelatingseisen en een simpele opleiding. De roep tot selectie aan de universitaire poort is dus de logische reactie van docenten die de kwaliteit van hun werk serieus nemen. En als de een gaat selecteren kan de ander moeilijk achterblijven, want doe je niet mee, dan word je de afvalbak van de andere instellingen.

Maar daarnaast is er nog een andere ontwikkeling die ook al niets met de tijdgeest van doen heeft, maar wel het effect ervan versterkt: instellingen voor tertiair onderwijs krijgen in toenemende mate te maken met studenten die in het buitenland een middelbare schoolopleiding hebben gevolgd. Zij vragen om toelating op grond van allerlei verschillende getuigschriften, waarbij het niet altijd mogelijk is de waarde ervan te bepalen. Daardoor zullen universiteiten en hogescholen zich genoodzaakt zien zelf toelatingsprocedures te ontwikkelen. En als ze dat dan toch moeten doen, en als bovendien hier en daar ook nog de wens bestaat om de Nederlandse studenten te selecteren, waarom zouden ze die procedures dan niet voor iedereen laten gelden?

Voor scholen voor voortgezet onderwijs ontstaat daarmee de ruimte om het onderwijs op eigen wijze te gaan inrichten. Bijvoorbeeld door de leerlingen specifiek voor te bereiden op de strenge toelatingseisen van één bepaalde universiteit. De selectie aan de universitaire poort leidt dus vanzelfsprekend tot differentiatie in het voortgezet onderwijs. Met als uiteindelijke consequentie een vergelijkbare differentiatie in het basisonderwijs. Nijs of geen Nijs, een onontkoombare ontwikkeling waar ik niet echt vrolijk van word.

prick@nrc.nl