Nederland, Irak en de Europese militaire leer

De teerling is geworpen. Gisteren heeft het kabinet besloten de Nederlandse militaire bijdrage aan de stabilisatiemacht in Irak voor acht maanden te verlengen. De recente Irak-resolutie maakte de weg hiervoor vrij. Het is een politiek en maatschappelijk omstreden besluit, dat forse risico's met zich meebrengt voor de troepen die het moeten uitvoeren. Verlenging is geen sinecure, maar het kabinet heeft terecht de verantwoordelijkheid voor hulp bij de wederopbouw van Irak zwaarder laten wegen dan de veiligheidssituatie en de onzekerheid over duur en effectiviteit van de missie. Nederland is echter niet gehouden tot het onmogelijke. Als het echt fout gaat, moeten we daar snel weg. Het zou goed zijn als minister Kamp (VVD, Defensie) aangeeft wat in zo'n geval de `exit strategie' is. Krijgt Nederland Britse of Amerikaanse hulp bij een onverhoopte evacuatie?

Ook op de termijn valt wel iets aan te merken. Acht maanden is lang, hoewel vertrekken voor de Iraakse verkiezingen (januari 2005) moeilijk te verdedigen valt. De symboliek van dat moment is niet te negeren. Het zou een definitief vertrek van de Nederlandse troepen kunnen markeren.

Deze krant was tot de laatste Irak-resolutie geen onvoorwaardelijk voorstander van verlenging. Tot afgelopen dinsdag, toen de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties de resolutie eensgezind aannam, waren de toezeggingen over meer soevereiniteit voor de Iraakse interim-regering en internationalisering van de operatie te beperkt. De Amerikaanse martelingen in de Abu Ghraib-gevangenis waren mede aanleiding om kritisch te zijn over de verlenging. Naar het Abu Ghraib-drama wordt in Washington onderzoek gedaan. Politieke rekenschap is er door het aanblijven van de verantwoordelijke bewindsman – minister van Defensie Rumsfeld – nog niet voor afgelegd. Dat valt te betreuren. Intussen staat wèl vast dat de resolutie de hoofdzaken van soevereiniteit voor de Irakezen en een grotere rol voor de VN afdoende regelt. Althans op papier. Hoe de werkelijkheid eruit zal zien, is afwachten.

Met de `realiteit op de grond' krijgen de Nederlandse soldaten in Zuid-Irak de komende acht maanden te maken. Ze kunnen inmiddels bogen op ervaring die militair van grote waarde is. Aangenomen mag worden dat dit soort operaties in de toekomst nog vaak zal voorkomen. Landen die te velde hebben ondervonden wat het betekent om onder moeilijke omstandigheden aan vredesmissies deel te nemen, kunnen er hun militaire leer op afstemmen. Concreet: een paar jaar `gevechtservaring' in Irak, met zijn onconventionele oorlogstoneel, kan in het voordeel zijn van een geheel eigen (Europese) aanpak van conflicten. De Britse krijgskundige Lawrence Freedman vergeleek onlangs in een belangwekkend essay in de bundel A European Way of War de Amerikaanse manier van ordehandhaving in naoorlogs Irak met de Engelse. De Britten doen het beter omdat ze grotere ervaring hebben met het gaande houden van moeizame vredesmissies. De ongeduldige Amerikanen zijn hier niet bedreven in en neigen naar het prompte resultaat van een grote oorlogscampagne. In Irak moeten de Europese coalitiepartners hun militaire strategie niet aanpassen aan die van Amerika. De kernvraag is nu, aldus Freedman, of de Amerikaanse troepen zich kunnen aanpassen aan de Europese manier van oorlogvoeren – lees vredeshandhaving. Het antwoord erop zal inderdaad bepalend zijn voor een geslaagde staatsopbouw in Irak.

Vredesmissies, uitgevoerd door ervaren troepen die met geduld en precisie hun werk doen, vormen een wezenlijk onderdeel van het nieuwe `asymmetrische' front waar strijd wordt gevoerd tegen terrorisme en falende staten. Nederland is vorig jaar in Irak een verplichting aangegaan die niet zonder meer ongedaan kan worden gemaakt. Tot nader order geldt: doorgaan omdat vertrekken destabiliserend werkt en uiteindelijk het Nederlandse belang schaadt. Het blijft riskant. Een Srebrenica kan nooit helemaal worden uitgesloten. Maar voordelen zijn er ook. Uit deze missie kan een nieuwe militaire praktijk worden ontwikkeld, die op Europees niveau aan Britse en Franse ervaringen te toetsen is.