Hoe mijn favoriete café op de Balkan zijn stamgasten verloor

Yaël Vinckx leerde als correspondent in voormalig-Joegoslavië de vaste klanten in café Medium in Skopje goed kennen. De sfeer was gemoedelijk. Tot de burgeroorlog uitbrak.

Iedere middag kwam Xhabir Derala om een uur of vier café Medium binnen. Dan ging hij zitten en bestelde een dubbele zuta, Macedonische pruimenjenever. Twaalf uur later vertrok hij, onvast op zijn benen. De mensen zeiden dat Xhabir in café Medium wóónde.

Xhabir is een bijzondere man; hij is geboren uit een Macedonische moeder en een Albanese vader. Dat is opmerkelijk, want in Macedonië komen gemengde huwelijken nauwelijks voor. Hij koketteert ook graag met zijn gemengde afkomst, al spreekt hij geen woord Albanees en heeft hij zijn vader amper gekend.

Toen ik voor het eerst in Joegoslavië kwam, in het voorjaar van 1999, werkte Xhabir als journalist bij Forum, een van de weinige kritische tijdschriften in Macedonië. Aan het eind van de middag begon hij in café Medium aan zijn andere werk; het uitleggen van `de situatie'. Ik hing aan zijn lippen. Het oude Joegoslavië immers, was een lastig onderwerp. Het telde zoveel verschillende bevolkingsgroepen, godsdiensten en gebruiken, en iedereen leek elkaar naar het leven te staan.

Uitleg was daarom geboden. Ik bladerde door mijn knipselmap; in vrijwel alle artikelen heette Macedonië een `kruitvat'. Dat kruitvat kon ieder moment ontploffen. Ik keek nog eens rond in café Medium dat sinds mijn verhuizing naar de hoofdstad Skopje mijn stamcafé was geworden. Niets wees op een naderende explosie.

Aan de bar zat Kresnik. De Albanees had een vriendelijk gezicht met opmerkelijk blauwe ogen. Hij werkte voor een buitenlandse hulporganisatie en woonde in een buitenwijk die bekend stond als Klein-Sarajevo, omdat de wijk, net als de Bosnische hoofdstad voor de oorlog, inwoners van verschillende afkomst telde: Albanezen, Macedoniërs, Serviërs, Bosniërs, Turken en zigeuners. Als het warm was, dronken ze samen bier.

Even verderop hing Idris op zijn krukken. Ondanks zijn handicap, kinderpolio, was hij een populaire rockmuzikant geworden. Hij zong en speelde gitaar in de groep Blla Blla Blla, een etnisch gemengde band. De naam van onze band, schaterde hij, zegt genoeg over onze politieke opvattingen.

Achter de toog stond Sylva, eigenaar van café Medium. Zij was een kleine vrouw met scherpe ogen en een schorre stem; twee pakjes 57 per dag hadden hun tol geëist. Geduldig gaf ze antwoord op mijn vragen. Ja, ze ontving Macedoniërs en Albanezen in haar bar. Nee, ze had nooit problemen met hen.

Aan een tafeltje zat Violeta. Met haar glanzende zwarte haren, zwoele oogopslag en uitstekende jukbeenderen was ze de mooiste vrouw in het café. Haar grootste geheim was haar leeftijd. Op achttienjarige leeftijd was ze naar Engeland verhuisd. Net als haar leeftijd om redenen die mij nooit duidelijk zouden worden, was ze eind jaren negentig teruggekeerd om in Skopje een jazzradiostation op te zetten.

Vanuit een hoek van het café sloeg Sejdo hen gade. Sejdo, die evenals Kresnik en Idris in de wijk Klein Sarajevo woonde, werkte voor buitenlandse hulporganisaties. Niet dat die ook maar iets goeds deden; avond aan avond spotte hij met de gebrekkige kennis van buitenlandse donoren, hun uitpuilende portemonnees en hun geloof in een maakbare samenleving.

Ondanks de ontspannen sfeer in het café heette Macedonië een kruitvat – en dat sinds de onafhankelijkheid in 1991. Die onafhankelijkheid had het ongenoegen tussen Macedoniërs en Albanezen niet kunnen wegnemen. Ik heb, zeg ik achteraf, te weinig oog voor dat sluimerende ongenoegen gehad. Misschien werd ik misleid door de ontspannen sfeer in café Medium. Misschien omringde ik mij met de verkeerde mensen. Doodmoe van mijn reizen door Kosovo en Servië bleef ik, eenmaal in Macedonië, in de hoofdstad. Ik omringde me met Xhabir, Kresnik, Violeta en de anderen. Hun opvattingen, hun gevoelens, hun levenswijze stonden model voor Macedonië. Wat had ik het mis.

ONGESCHOREN KOPPEN

Er waren signalen. Natuurlijk. Er waren signalen van dat andere Macedonië, waar Macedoniërs en Albanezen gescheiden van elkaar leefden, elkaar niet groetten, niet in elkaars winkels kochten.

Op een avond belandde ik tussen een groep Macedoniërs, jongens met vlezige nekken en opgeschoren koppen. Ze bralden nationalistische liederen. De dikste jongen ontpopte zich tot hun aanvoerder. Albanese mannen moesten worden afgemaakt, hun kinderen zouden allemaal wezen worden, verklaarde hij op luide toon. Enkele weken later zou hij verdrinken tijdens een vakantie in de Zwarte Zee. Toen ik van het ongeluk hoorde, voelde ik geen enkel medelijden.

Ook onder de Albanezen bevonden zich nationalisten: Fadil Suleymani bijvoorbeeld. Hij leidde de Albanese universiteit in Macedonië, een door de staat niet-erkende instelling. Met zijn haatspeeches vergiftigde Suleymani zijn naar schatting vierduizend Albanese studenten. Ik besloot hem op te zoeken.

Op een zonnige dag reden we naar de universiteit in Tetovo. We waren nauwelijks binnen of Xhabir, die was meegegaan om te vertalen, en Suleymani kregen ruzie.

Xhabir: ,,Mijn naam is Xhabir Derala.'' De rector keek hem scherp aan. ,,Je hebt een Albanese naam. Waarom spreek je me dan in het Macedonisch aan? Die taal wil ik niet horen. Spreek Albanees!'' Xhabir schoof onrustig heen en weer. ,,Ik spreek geen Albanees.'' De rector deed geen enkele moeite zijn minachting te verbergen. ,,Je hebt Albanees bloed in je aderen en je spreekt geen Albanees??!! Je bent een verrader. Ga, want ik wil je niet meer zien.''

De hele woordenwisseling nam nog geen vijf minuten in beslag. Het interview deed Suleymani in gebroken Duits. En ik? Ik kon alleen nog knikken.

Xhabir werd nog wekenlang door Kresnik en Idris gepest met zijn vernedering door de rector. Tegen mij zeiden ze echter dat ze de rector een rabiate gek vonden. Hun woorden stelden mij gerust. Ze waren vast de enigen niet die zo over de rector dachten, meende ik.

AFSCHEIDSFEESTJE

Intussen voltrokken zich in Servië grote veranderingen. In oktober 2000 stootte het Servische volk hun leider Slobodan Milosevic van zijn troon. Zijn val luidde voor mij een nieuwe periode in. Anderhalf jaar lang had ik in Skopje gewoond. Dat was geen vrijwillige keuze geweest. Het nieuws lag immers elders op de Balkan. Maar Miloševic liet slechts een handvol buitenlandse correspondenten in zijn land wonen. Ik hoorde daar niet bij. Dus werd het Skopje, tegen wil en dank. Maar gaandeweg was ik van die slaperige stad gaan houden.

Nu moest ik vertrekken. Er was een afscheidsfeestje in café Medium. Xhabir kwam te laat, Kresnik maakte grappen, Idris lachte hard en Sylva tapte bier. Met mist in het hoofd reed ik de volgende dag naar Belgrado. Vier dagen later was ik terug. Want in het slaperige Macedonië dreigde plots een burgeroorlog.

,,Ik zei toch dat we een oorlog zouden creëren om je terug te krijgen?'' Xhabir hing breed lachend over een glas zuta. In vier dagen was Skopje veranderd. Niet aan de buitenkant. Maar innerlijk was de stad gespannen. Overal sprak men ronduit over de komende, bloedige slag. Dit wordt erger dan Bosnië, verklaarde Nebi, een bevriende Albanese journalist. Ik keek hem verschrikt aan.

De `oorlog' was ook het gesprek van de dag in café Medium – al bleef die oorlog vooralsnog beperkt tot enkele grensincidenten. Ik kon het niet geloven. Het radiostation van Violeta en haar broer speelde opgetogen jazzmuziek; oorlogsmarsen ontbraken. En mijn vrienden discussieerden fel, ze dronken nog altijd samen bier. Maar de oorlog wachtte om de hoek.

Achteraf vroegen de mensen zich af wanneer de oorlog was begonnen. Ik denk dat de oorlog uitbrak op 14 maart 2001. Het rommelde in de Albanese gemeenschap; veel Albanezen vonden dat hun politiek leider Arben Xhaferi zich te gematigd opstelde. Zijn Albanese opponenten waren daarom met een tegendemonstratie op de proppen gekomen, in Tetovo, de stad van rector Fadil Suleymani.

Herken je een oorlog als het zover is? Ik zat een kopje thee te drinken op een terras, de zon op mijn gezicht, onwetend van de gebeurtenissen enkele honderden meters verderop. Een collega kwam waarschuwen. ,,Er wordt geschoten,'', riep ze. Dat had ik ook gehoord, maar ik had de salvo's geplaatst in de categorie social shooting: de traditie om tijdens bruiloften en demonstraties geweren in de lucht leeg te schieten. De bergen hadden het geluid van de salvo's echter weerkaatst. Zo bleken de schoten afkomstig te zijn van Albanese rebellen buiten de stad. En ze schoten op een wijk met Macedonische inwoners.

Xhabir was niet meegegaan naar Tetovo, hij moest die dag zaken doen in Skopje. Maar het nieuws van de schietende rebellen bereikte de hoofdstad al snel. Hij belde. ,,Wat is er aan de hand?'', schreeuwde hij door de telefoon. En daarna: ,,Ik heb het toch gezegd. Ik heb het toch gezegd.'' Nebi, de Albanese journalist die had gewaarschuwd voor een tweede Bosnië, zei dat ook. Maar hij zei het op een andere toon. Bijna triomfantelijk.

Mijn etnisch gemengde vriendenkring viel uit elkaar. Het duurde slechts twee weken. Ik stond erbij en keek ernaar. Idris, Violeta, Sylva, Nebi: ze spraken niet langer met elkaar, bezochten elkaar niet meer. Haat maakte zich van hen meester.

Ik belde Idris om over de situatie te praten. Hij wilde niet naar café Medium komen. Sylva's café grensde aan de achterkant van het parlement, dat deze dagen streng werd bewaakt door leden van de speciale politie. Al snel brachten die verveelde agenten een groot deel van de tijd op haar terras door, waarbij ze hun machinegeweren achteloos op de tafeltjes lieten slingeren. De Albanees Idris voelde zich er, op z'n zachtst gezegd, niet op zijn gemak.

Idris wilde wel afspreken in een Albanees rockcafé. Zijn schaterlach was verstomd. ,,Ik begrijp er niets van'', zuchtte hij. De Macedonische bassist van zijn band Blla Blla Blla had het moeten uitmaken met zijn Albanese vriendinnetje. Haar ouders hadden haar verboden nog langer met een Macedoniër om te gaan.

Xhabir viel weer eens tussen wal en schip. De Macedoniërs beschouwden hem als een Albanees vanwege zijn Albanese naam en voorkomen, de Albanezen zagen hem als een Macedoniër omdat hij de Albanese taal niet sprak. Xhabir, die zijn baan bij Forum had opgezegd, leidde inmiddels een non-gouvermentele organisatie: Civil. Hij hield zich bezig met de verbetering van mensenrechten en inter-etnische samenwerking. Het was echter een slechte tijd om inter-etnische projecten op te zetten. Xhabir zag zijn werk van maanden in duigen vallen.

Een collega, documentairemaker uit Bosnië, vergeleek de situatie met de oorlog in haar geboorteland. Ze was geboren in Sarajevo, had een Servische vader en een Kroatische moeder. ,,Ach'', zei ze, ,,in Bosnië was het niet anders. We gingen naar dezelfde school, werden verliefd op elkaar. En van de ene op de andere dag was het over. Toen telde alleen je etniciteit nog maar''.

ROCK FOR PEACE

In Skopje waren Xhabir en zijn vrienden inmiddels van de eerste schrik bekomen. We moeten iets doen, zeiden ze tegen elkaar. Daarop organiseerde Xhabir onder andere een popconcert, Rock for Peace. De oorlog had hem neerslachtig gemaakt, hij was steeds meer gaan drinken en roken, maar hij leefde op bij het vooruitzicht van een succesvol, etnisch gemengd concert.

Hij benaderde zijn oude vrienden uit café Medium om mee te werken; sommigen zeiden ja, anderen zeiden ronduit nee. Ook voerde hij eindeloze discussies, veelal over de taal. Xhabir sprak alleen Macedonisch en dus moest er een Albanese co-presentator worden gezocht. Ook Idris, die zou optreden met zijn band Blla Blla Blla, maakte zich druk over de taal. Zou hij het publiek eerst in het Albanees en dan in het Macedonisch begroeten of andersom? Het werd een hele discussie binnen de groep.

De avond kwam. Alles ging goed. Het concert werd druk bezocht, de mensen stonden tot in de gangen te dansen. Xhabir was door het dolle heen. ,,Zie je wel'', zei hij na afloop. ,,Ik wist dat het kon!'' Maar het was een druppel op een gloeiende plaat. Xhabir wist dat ook. Hij wilde zijn moreel er niet door laten ondermijnen, maar hij wist dat hij slechts een kleine groep geestverwanten had. Macedonië was een richting ingeslagen – twintig mensen konden die koers niet veranderen. Enkele dagen na het concert werden tientallen Albanese winkels in de stad Bitola met hakenkruizen beklad en in brand gestoken.

AFSCHEIDSFEESTJE

Wat weinigen verwachtten, gebeurde uiteindelijk toch. In augustus 2001 sloten de Macedonische autoriteiten en de Albanese guerillastrijders een vredesakkoord. Maar het leven werd niet meer hetzelfde. Weliswaar had de mini-oorlog slechts acht maanden geduurd en waren er naar schatting vierhonderd doden gevallen, toch had het conflict diepe wonden geslagen in de samenleving. De onderlinge verhoudingen waren verziekt. Albanezen en Macedoniërs bleven op zichzelf. Meer dan voorheen leefden beide bevolkingsgroepen langs elkaar heen. Wantrouwen regeerde.

Ook in café Medium bleef het stil. De speciale ordetroepen waren naar hun kazernes teruggeroepen, maar de oude klanten keerden niet terug. Aan de bar zaten voortaan alleen Macedoniërs. Slechts een enkele Albanees waagde zich in het café. Idris bijvoorbeeld, hinkte op een middag op zijn krukken binnen. Maar Sylva deed geen moeite om Idris en de andere Albanese klanten op hun gemak te stellen. Ze vond, net als veel Macedoniërs, dat de regering te veel concessies aan de rebellen had gedaan.

Het vredesakkoord maakte een eind aan mijn verblijf in Macedonië. Ik vertrok, naar Belgrado, en deze keer zonder afscheidsfeestje. Dat was ook niet nodig, grapte Xhabir. ,,Je bent toch binnen vier dagen terug.'' Maar ik bleef weken weg. In die tijd werd Skopje weer die suffe stad waar ik zo van had gehouden.

De regering werd voor haar inspanningen `beloond' met een grote donorconferentie. Voor de familie van Sejdo braken gouden tijden aan. Steeds vaker waren de zigeuner en zijn vrouw te vinden op seminars in Bosnië, België, zelfs in Zuid-Afrika. Sejdo's buren wilden niet geloven dat hun buurvrouw reisde. ,,Ze zegt dat ze naar Zuid-Afrika gaat'', proestten de jaloerse vrouwen. ,,Ze mag al blij zijn als ze de weg naar het vliegveld kan vinden!''Maar Sejdo's vrouw zat wel degelijk in Johannesburg.

Violeta kon het niet langer aanzien; zij en haar dochter maakten zich op voor hun vertrek naar Londen. Een verblijf van achttien jaar in het buitenland had haar vervreemd van haar geboorteland. Ze had het jazzradiostation verlaten, was uit pure armoede bij haar oude moeder ingetrokken.

Kresnik begon met steun van buitenlandse donoren een tweetalig radiostation. Hij praatte nooit over politiek op de radio, draaide vooral popmuziek uit de jaren tachtig. Daar kon niemand aanstoot aan nemen.

Xhabir werkte hard aan vredesinitiatieven – en doet dat tot op de dag van vandaag. Met hulp van vrienden ontwierp hij de Peace Unlimited campagne; posters met vredesboodschappen. Op een zo'n poster stond een man met een doorgroefd gelaat die aan een sigaret zoog met daaronder de tekst: `war can seriously damage your health'. Niet iedereen zag er de humor van in; Xhabir kreeg e-mails toegestuurd met daarin `dood aan de verraders'. Hij raakte er niet door van slag. ,,Ik ben het aan mijn stand en mijn dromen verplicht te blijven geloven in vrede.''

Dit is een bewerkte versie van een hoofdstuk uit het boek `Joegoslavië achter de schermen' van Yaël Vinckx, voormalig correspondent in voormalig-Joegoslavië van 1999 tot medio 2003 voor deze krant. Het boek verscheen gisteren bij uitgeverij NRC Handelsblad/ Prometheus.