Hoe langer hoe gezonder

Turkse en Marokkaanse kinderen in Nederland blijven in groei 10 centimeter achter, vergeleken met Nederlandse kinderen. Maar ze zijn wel dikker. Vooral Turkse meisjes.

OP 20-JARIGE leeftijd zijn Turkse mannen en vrouwen gemiddeld 10 centimeter korter dan hun Nederlandse geslachtsgenoten. Marokkanen komen gemiddeld 9 centimeter korter uit. Het lengteverschil bestaat kort na de geboorte nog niet. De allochtone kinderen komen in de loop van een paar jaar bij de kleineren van hun geboortejaar terecht. Het is een kwestie van genen (aanleg) en leefwijze, maar wat het zwaarst weegt is onbekend.

Iedere arts die de groeicurven van autochtone kinderen als maatstaf neemt, zal bij één op tien Turkse en Marokkaanse kinderen schrikken. Die zijn zo klein dat ze een zorgelijke groei-achterstand lijken te hebben, wat kan duiden op aangeboren aandoeningen, ziekten van het afweersysteem, veelvuldig doorgemaakte infecties en ernstige psychosociale problemen. ``Toch zijn die zorgen meestal onnodig en onterecht'', zegt prof.dr. Pauline Verloove-Vanhorick van het instituut voor Preventie en Gezondheid van TNO in Leiden. Samen met de Leidse hoogleraar kindergeneeskunde dr. J.M. Wit leidde ze het groei-onderzoek dat in 1997 onder 14.500 Nederlandse kinderen plaats vond. ``Want die hele groep Turkse en Marokkaanse kinderen is nu eenmaal kleiner dan Nederlandse kinderen.''

Er zijn nu aparte groeicurves ontwikkeld voor enerzijds Turkse en Marokkaanse kinderen en anderzijds Nederlandse kinderen en dat heeft twee voordelen. Verloove: ``We voorkomen zo dat er te vaak onterecht bij de allochtone kinderen naar groeistoornissen wordt gezocht.'' Daarnaast kan de gemiddelde groei van de autochtone groep zo zuiverder in kaart worden gebracht.

boekjes

Het tijdrovende nawerk van het opmeten van bijna 14.500 kinderen (autochtone en allochtone), pubers en jongvolwassenen van 0 tot 21 jaar, in alle delen van het land, eindigt definitief als op 16 juni groeistudieonderzoekster Miranda Fredriks in Leiden promoveert. Tegen die tijd rollen ook de boekjes met groeidiagrammen van Nederlandse, Turkse en Marokkaanse kinderen van de persen waar de Consultatiebureaus en kinderartsen de komende jaren mee zullen werken.

Groeicurven zijn grafieken waarin de lengte van een kind tegen de leeftijd is uitgezet. Het gemiddelde is weergegeven, maar ook de grenzen van één en twee standaarddeviaties afwijking. Een autochtone jongen van tien jaar is bijvoorbeeld gemiddeld 143 cm lang. Een gemiddelde Turkse of Marokkaanse jongen van tien meet dan 139 cm. Turkse kinderen in Nederland zijn overigens net zo lang als de Turkse kinderen in Duitsland en als de Turkse kinderen in Turkse steden. De Nederlandse kinderen van Turkse ouders zijn daarmee wel beduidend langer dan de kinderen op het Turkse platteland, waar de Turken in Nederland meestal vandaan komen.

Turken en Marokkanen zijn in Nederland niet de oudste onderscheidbare groep met eigen groeikarakteristieken. Dat roept de vraag op waarom er voor Limburgse kinderen (die waren in de jaren vijftig, en zijn nu nog als jongvolwassenen 3,8% korter dan Friese en Groningse kinderen) en voor Aziatische kinderen (Indische en Chinese kinderen) geen aparte groeicurven bestaan. Verloove: ``Bij allemaal ligt waarschijnlijk een genetisch verschil mede ten grondslag aan de lengteverschillen. De onderlinge verschillen tussen Limburgse en Noord-Nederlandse kinderen zijn echter niet groot genoeg om aparte groeicurven te rechtvaardigen. De Turken en Marokkanen zijn ongeveer 6 procent kleiner dan de gemiddelde volwassene van Nederlandse herkomst. En Aziatische kinderen zijn er te weinig om de investering van een aparte groeicurve te rechtvaardigen. De kinderen van oorspronkelijke Nederlands-Indische herkomst zitten bijvoorbeeld altijd al in (het korte eind van) de `autochtone' groeicurven. Een arts moet daar met gezond verstand mee omgaan. En bovendien zijn de groeicurven geen zaligmakende maat. Het begrip target height is ook belangrijk.''

te dik

De consultatiebureau-arts legt alle kinderen allereerst langs de meetlat van de Nederlandse groeicurve, zo luiden de richtlijnen voor de jeugdgezondheidszorg. ``Pas als er twijfel is over de groei, of als het kind te dik is, is het van belang om de genetica mee te wegen.'' De groeicurven voor kinderen van Turkse of Marokkaanse herkomst komen dan uit de kast. En de arts berekent de target height van het kind. Die doellengte houdt rekening met de lengte van de biologische vader en moeder, en met de lengtewinst die iedere generatie behaalt. Uitgangspunt voor die berekening is de gemiddelde lengte van de ouders in centimeters ((lengte moeder+lengte vader)/2). Voor een jongen is de doellengte de gemiddelde ouderlengte + 13. Voor een meisje is het: gemiddelde ouderlengte - 2. Verloove: ``Die uitkomst kent een onzekerheid van plus en min 9 centimeter. Binnen die range van 18 centimeter rond de berekende target height ligt de verwachte eindlengte als een kind eenmaal volwassen is. In een groeicurve kun je vervolgens nagaan of een kind van bepaalde leeftijd daar erg onder blijft.''

De groeicurven zijn normatief. Verloove: ``We hebben afgesproken dat alle kinderen een normale lengte hebben die twee standaardafwijkingen naar boven en naar beneden van de gemiddelde lengte bij een leeftijd afwijken. Dat betekent dat alleen de uiterste twee procent als abnormaal lang en abnormaal kort worden beschouwd. Maar 96 procent van de kinderen heeft dus per definitie een normale lengte.'' Tienjarige autochtonen hebben dus een normale lengte als ze tussen 130 en 156 cm lang zijn.

Een nieuwe groeistudie, zoals de laatste die in 1997 is uitgevoerd, introduceert een nieuwe lengtenorm. De norm van 1997 verving die van de groeistudie van 1980. De gemiddelde lengte van volgroeide jongvolwassen Nederlandse mannen (20 jaar) steeg in de 17 jaar 2 centimeter, van 182 naar 184 centimeter. Volgroeide vrouwen werden 2,3 centimeter langer en stegen van gemiddeld 168,3 naar 170,6 centimeter. Omgerekend neemt per tien jaar de gemiddelde lengte tegenwoordig met 1,3 cm toe. In de jaren vijftig was dat nog 2,7 cm. Deze cijfers worden niet beïnvloed door de immigratiegolf van Turken en Marokkanen, want die kinderen zijn níet in de Nederlandse groeicurve opgenomen. De lengtegroei in opeenvolgende generaties bestaat dus nog, maar zwakt wat af. Verloove: ``Een nieuwe groeicurve wordt de nieuwe norm omdat het principe `hoe langer, hoe gezonder' nog altijd opgaat.''

norm

Heel anders is het met de grafiek die dikte en leeftijd tegen elkaar uit zet. Verloove: ``Die is beschrijvend, niet normatief. Kinderen worden steeds dikker en we willen niet dat dat de norm wordt. We gaan te dikke kinderen niet als gemiddeld en normaal accepteren. Want hier geldt: hoe dikker, hoe ongezonder.''

De norm en de `verdeling' voor overgewicht is opgesteld aan de hand van de lengte- en gewichtsmetingen van kinderen in een aantal landen eind jaren zeventig. Toen is dus vastgesteld wat de normale verdeling van dunne en dikke kinderen is. De gegevens van de Nederlandse groeistudie uit 1980 zijn ook verwerkt in die internationale norm. De curve die er uit komt geeft de gemiddelde body mass index (BMI) per leeftijd, voor jongens en meisjes. De BMI is het gewicht in kilo's gedeeld door het kwadraat van de lengte in centimeters. Volwassenen hebben overgewicht bij een BMI boven de 25 en lijden aan obesitas als hun BMI groter dan 30 is. Maar voor zevenjarigen liggen die grenzen bij BMI's van 18 respectievelijk 21.

Ten opzichte van de groeistudie in 1980 hebben tweemaal zoveel Nederlandse kinderen overgewicht. En driemaal zoveel zijn er echt veel te dik – ze lijden aan vetzucht (obesitas). Bij Turkse en Marokkaanse kinderen is de situatie nog veel verontrustender, schrijft Fredriks in haar proefschrift. De Turkse en Marokkaanse kinderen lijken qua dikte inmiddels veel op de Amerikaanse kinderen, waaronder een epidemie van overgewicht en obesitas heerst. Verloove: ``Van de Turkse meisjes is nu ongeveer 15 procent echt obees. En nog eens 30 procent is te dik.''