Generatio spontanea, de werking van de wil en het ontstaan van gebeurtenissen

Onze wil veroorzaakt geen gebeurtenissen, maar we kunnen wel de gebeurtenissen die zich voordoen, willen.

Jaren geleden was er een tv-spel met Ton van Duinhoven in de hoofdrol, die als boodschap aan de kijker had: je moet de dingen willen die gebeuren. Hoogtepunt was het moment dat hij de kamer van zijn baas uit kwam, waar hij net zijn congé had gekregen. Zijn gezicht stond somber, hij keek de kijker diep in de ogen en zei: ,,Ik vrees dat ik dit bedrijf zal moeten afstoten.''

De wijsheid van deze man zit natuurlijk in het verstandig definiëren van het begrip `wil'. In alle overdrijving bevalt zij me toch beter dan de wijsheid dat de dingen die je echt wilt, ook altijd gebeuren. Ik wil zoveel, en er gebeurt lang niet alles van. De echt-willen-ideologen in mijn vriendenkring zeggen: als het niet gebeurt dan heb je het niet echt gewild. Het woordje `echt' is een echte disclaimer. Dat bevalt me allereerst al niet omdat je zo de echte-wil-veronderstelling nooit kunt weerleggen. Bovendien houd ik niet van het idee dat wil als een hogere macht op afstand werkt.

Hoe komt het dat dingen gebeuren? Een belangrijke categorie oorzaken is: vanzelf. Gebeurtenissen komen op hun omstandigheden af.

Hierover leert de biologie ons veel. Leg een zak meel op zolder en na een paar weken zitten er muizen in. Maak een poeltje in de tuin en sla nog wekenlang de muggen dood die het genereert. Deze verschijnselen zijn sinds mensenheugenis bekend en er is zelfs een chique naam voor: generatio spontanea, het spontane ontstaan van leven. Zijn muizen en muggen maakbaar? Nee, ze ontstaan vanzelf in zakken meel en ondiep water. Ik heb een ecoloog horen vertellen dat hij eens op een wandeling hoog in de Pyreneeën bij een meertje kwam dat visjes bevatte die daar nooit hadden kunnen komen. Hij gebruikte het als voorbeeld van zijn stelling: als ergens een nis ontstaat waar een populatie goed in past, dan komt die populatie er ook, vraag niet hoe, maar zij komt er. Een ecologische nis voor een bevolking is een omgeving met kenmerken waar die bevolking in gedijt: goed kan eten, goed kan voortplanten, concurrenten goed kan verdringen.

Je kunt er nog een schepje bovenop doen: als er een ecologische nis voor een soort is die nog niet bestaat, en je wacht maar lang genoeg, dan zal die soort er ontstaan. Dat is een Darwinistische verwachting. Door natuurlijke variatie ontstaan nieuwe soorten. Individuen die niet in hun omgeving passen verdwijnen weer, de meeste al binnen één minuut. Individuen die wel passen reproduceren zich, verrassen de concurrenten, nemen de nis in en het bestaan van een nieuwe populatie of soort is een feit. Je kunt dit survival of the fit noemen, overleving van wat past. De natuurlijke variatie is gevolgd door selectie, en er is weer een soort ontstaan.

De biologie leert ons dit allemaal over het ontstaan van levensvormen. Maar je kunt deze gedachten ook algemener als metafoor toepassen, op het ontstaan van gebeurtenissen. In de biologie valt het ontstaan van een nieuwe vorm van leven pas op als die het niveau van een populatie of soort bereikt. Toch begint die populatie wel degelijk met het eerste exemplaar van de goede samenstelling dat kennelijk kansen heeft. Iemands wil fungeert als de nis waarin de gebeurtenissen gevangen worden op het moment dat zij zich bij toeval aandienen. Of in elk geval als de kans zich voordoet, en dan moet je wel toeslaan natuurlijk. Mogelijke gebeurtenissen ontstaan op toevallige wijze, net als in het proces van de natuurlijke variatie. De selectie wordt gemaakt door degene die de mogelijke gebeurtenis wil, of juist laat passeren.

Wie denkt dat iemands wil de gebeurtenissen oproept, in plaats van ze te betrappen aan de fruitautomaat van het toeval, gelooft blijkbaar in een hogere macht. Dat kennen we ook van de evolutietheorie zelf, waar mensen een scheppende hand achter het toeval zien, bijvoorbeeld omdat het leven té knap ontworpen lijkt om toeval te zijn. Of omdat ze nu eenmaal overal de scheppende hand van God achter zien.

Dit soort beelden zie ik vaak werken in het onderwijs, maar ook in gevallen van projectmanagement. Als docent of als manager loer ik op generatio spontanea van gebeurtenissen, invallen of beslissingen van mensen, enzovoort, die in mijn straatje passen. Dat scheelt een hoop moeite in vergelijking met al die dingen zelf te organiseren of uit mensen te trekken. En als ze niet snel genoeg vanzelf komen, dan nog ga ik de gebeurtenissen niet met een verlostang tevoorschijn trekken, dan nog ga ik eerst een nis te creëren waarin ze dan alsnog spontaan wensen op te treden.

Ooit hing in de wachtkamer van mijn huisarts een tegeltje met een verwante wijsheid erop: ,,De meeste ziekten gaan vanzelf over, als je er maar niet op tijd bij bent.''

En als het dan allemaal toch niet lukt, dan zeg je toch gewoon dat je dat ook zo had gewild. Daar word je in elk geval vrolijker van.

Maarten Pieters is natuurkundige en werkt als onderwijsontwikkelaar bij het AMSTEL Instituut, expertisecentrum voor bèta-onderwijs, Universiteit van Amsterdam

    • Maarten Pieters