Geheime dienst zag in 2003 dreiging Irak vaak anders

De Militaire Inlichtingen en Veiligheidsdienst (MIVD) is vorig jaar over de dreiging van Iraakse massavernietigingswapens ,,regelmatig tot andere conclusies gekomen dan de Amerikaanse en Britse politieke leiders presenteerden.'' De informatie van het kabinet hierover aan de Tweede Kamer komt ,,over het geheel genomen'' overeen met de conclusies van de MIVD. Maar ,,een enkele keer'' zijn er uitspraken gedaan ,,die zorgvuldiger geformuleerd hadden kunnen worden.'' Dat blijkt uit vertrouwelijke documenten van de MIVD en het ministerie van Defensie.

Nederland besloot in maart 2003 de oorlog tegen Irak politiek te steunen omdat dat land VN-resoluties schond en omdat er ,,gegronde vragen over de Iraakse massavernietigingswapens'' bleven bestaan. Het kabinet heeft altijd gezegd dat hierover een `volstrekt soevereine afweging' is gemaakt. De inlichtingendiensten MIVD en AIVD hebben daartoe vorig jaar analyses gemaakt van de Iraakse dreiging. Daarvoor zijn voornamelijk gegevens getoetst van de Amerikaanse en Britse zusterdiensten. De afgelopen maanden bleken veel van deze gegevens aangedikt, onbetrouwbaar of zelfs onjuist. De oppositie in de Tweede Kamer heeft daarom meermalen inzage gevraagd in de toetsingsrapporten van de MIVD. Het kabinet heeft dat geweigerd.

Uit onderzoek van deze krant blijkt dat de MIVD achteraf kanttekeningen plaatste bij de wijze waarop het kabinet over de Iraakse dreiging informeerde. Zo schreef toenmalig minister De Hoop Scheffer (Buitenlandse Zaken) de Kamer in 2002 dat Irak is doorgegaan met de ontwikkeling van chemische en biologische wapens en dat de dreiging ,,reëel en steeds ernstiger'' wordt. Bij deze zinsnede, aldus een Defensie-document uit augustus 2003, is ,,een kritische noot op zijn plaats'', omdat de MIVD ,,niet in concrete bewoordingen heeft gesteld'' dat Irak de productie van genoemde wapens na het vertrek van de UNSCOM inspecteurs in 1998 zou hebben hervat.

De juridische afdelingen van de ministeries van Buitenlandse Zaken en Defensie vonden het aanvechtbaar dat de aanval op Irak strookte met internationaal recht. De oorlog werd gevoerd zonder expliciete resolutie van de VN. Volgens de regering rechtvaardigden eerdere resoluties het gebruik van geweld. Premier Balkenende noemde dat op 18 maart 2003 ,,een sluitende juridische redenering.'' De directeur juridische zaken van Defensie schreef evenwel op 28 januari 2003 dat alleen ,,een nieuw te nemen besluit van de VN-Veiligheidsraad als een grondslag zou kunnen dienen voor een rechtmatige aanval op Irak''. Ook Buitenlandse Zaken stelde op 1 maart 2003 dat het kabinetsstandpunt ,,niet per definitie (kan) worden opgevat als een machtiging tot het gebruik van geweld.'' Hooguit kon het kabinet hier `ruimte voor interpretatie' vinden, aldus BZ. In het bij elkaar vegen van eerdere VN-resoluties, de oplossing van het kabinet, zag ook BZ weinig. Dat kan alleen de Veiligheidsraad en niet ,,één of twee leden zelf'', aldus de juristen van Buitenlandse zaken.

Zaterdags bijvoegsel:

pagina 34