Europa moet beter snappen dat de Amerikaanse tovenaarsleerling alle kaarten door elkaar schudt

Europese politici sluiten hun ogen voor de Amerikaanse vernieling van de politieke beschaving.

Er is iets verschrikkelijk misgegaan met onze politieke beschaving. De Amerikaanse regering heeft de eigen traditie, die wortelt in de Verlichting, de rug toegekeerd, werpt de geopolitieke orde omver en schept haarden van mondiale haat en geweld. De Europeanen van hun kant zijn in de war of, op zijn best, krachteloos in hun tegenwerpingen. De fantasie van een `oorlog tegen het terrorisme' – iets wat niet bestaat en, zonder de mogelijkheid van een vijand die zich overgeeft, niet kan bestaan – heeft een einde gemaakt aan de geleidelijke consolidering van een relatief stabiele en vreedzame samenleving van staten. Die fantasie heeft een farce gemaakt van overeengekomen internationale regels, het Midden-Oosten verwoesting gebracht en een spook opgeroepen van verruwing en wreedheid waarvan redelijke westerlingen die getuige zijn geweest van de twintigste-eeuwse verschrikkingen niet hadden verwacht dat zij het opnieuw zouden zien – niet in het deel van de wereld waarin zij invloed hebben.

Het rot heeft zich ook buiten het vroegere Atlantische Bondgenootschap verbreid. In Azië en de ontwikkelingslanden is nieuw wantrouwen gegroeid jegens Amerikaanse doelstellingen, en zo hebben we een stilzwijgend erkende handhaver van de wereldorde verloren. Het accepteren van de facto Amerikaanse hegemonie werd vergemakkelijkt door het vertrouwen, tot voor kort in bijna de hele wereld aanwezig, dat Washington de handhaving van de vreedzame internationale orde die na de Tweede Wereldoorlog is ontstaan, zou blijven zien als onlosmakelijk verbonden met Amerika's eigenbelang.

Washington was immers de belangrijkste architect geweest van deze orde, met president Truman en minister van Buitenlandse Zaken Acheson als leidslieden bij het ontstaan ervan. Allerlei noties afgeleid van humanitaire en democratische idealen, enthousiast verdedigd door de Verenigde Staten, hadden zich wijd en zijd verspreid in de tweede helft van de twintigste eeuw.

Het rot heeft zich in gevarieerde mate verspreid in de binnenlandse politieke ruimten van wat ooit betekenisvol bekend stond als het Westen. Begrippen als democratie of vrijheid zijn nu niet veel meer waard, uitgehold tot amuletten voor een bezweringsritueel. Ook termen als soevereiniteit, terrorisme en veiligheid hebben door Orwelliaans gebruik hun betekenis verloren. Bevestigingen van niet aflatend grootscheeps bedrog om militair geweld acceptabel te maken voor Amerikaanse en Britse burgers zijn zo gewoon geworden, dat bedrog tot de algemene verwachtingen is gaan behoren en bijna als normaal wordt beschouwd. De regering-Bush maakt er geen geheim van dat veel voor de burgerij geheim wordt gehouden en houdt vol dat dit noodzakelijk is om de `oorlog tegen terreur' te kunnen winnen. Wat eens zou zijn beschouwd als misdadig internationaal gedrag, wordt door gevestigde media gepresenteerd als normaal nieuws – misschien controversieel, maar nog steeds begrijpelijk en zelfs te verdedigen. De schijn van normaliteit wordt van tijd tot tijd slechts verstoord door opwellingen van verontwaardiging wanneer het nieuws meer benadert wat een groter publiek onmiddellijk herkent als schandalig – zoals de beelden uit de Abu Ghraib-gevangenis.

Europa in de hoek

De reacties van Europese politieke leiders en commentatoren zouden ons door hun gemakzucht en zelfgenoegzaamheid al lang hebben moeten verontrusten. Zij hebben zich in de hoek laten dringen en zijn hoofdzakelijk in de verdediging gebleven. Dit begon op 12 september 2001, toen de lidstaten van de NAVO, voor de eerste keer in de geschiedenis van die organisatie, artikel 5 van het Atlantisch Handvest activeerden, erkennend dat op de terroristische aanval van de dag tevoren moest worden gereageerd alsof het een aanval op alle lidstaten betrof. De Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, Colin Powell, op bezoek in Brussel, liet hen verbaasd en verlamd achter, nadat hij hun aanbod naast zich neer had gelegd. Het gebaar werd op prijs gesteld, maar de Verenigde Staten waren niet geïnteresseerd in bondgenoten met een stem. De bondgenoten hebben daarna hun stem niet kunnen terugvinden voor zelfs maar een zwakke poging de tovenaarsleerling in Washington in te tomen. Het blijvende vertrouwen in Colin Powell als duif demonstreert het jammerlijke onvermogen van de Europese leiders om de ontwikkelingen van de afgelopen drie jaar te doorgronden.

Toen Frankrijk en Duitsland duidelijk maakten dat zij geen steun zouden verlenen aan een invasie van Irak, wekte dat in de Verenigde Staten ernstige verontwaardiging over Schröders en Chiracs veronderstelde egoïstische motieven. Frappant was het hoe deze verontwaardiging doorklonk in veel Europees redactioneel commentaar, in het bijzonder in Nederland.

Tony Blair is duidelijk de grootste hindernis geweest voor het ontwikkelen van een Europese stem. Hij werd aanvankelijk door zijn collega's op het continent gezien als de enige Europese politieke figuur met een beperkte maar misschien toch directe invloed op het wereldbeeld van de machtigste man in die wereld. Maar ook hij kon niets bijdragen: Europa mocht verbijsterd constateren dat Blair deelde in het geloof van zijn Amerikaanse vrienden in het mogelijke mirakel van een gewapende democratisering van de Arabische wereld.

Vier soorten ontkenning

Waarom is Europa, ondanks enkele krachtige en helder verwoorde analyses hier en daar, zo goed als blind gebleven voor het rot en voor de oorzaken ervan? En waarom hebben Europese regeringen geen acht geslagen op de ruim verbreide afkeer onder hun burgers voor de invasie van Irak? Bijna iedereen heeft een voorkeur voor het normale en is geneigd het tragische te trivialiseren of zelfs te ontkennen, wanneer het langdurig een sterke druk legt op de emoties. Intellectuelen in Amerika en Europa waren geneigd voor de gebeurtenissen waarvoor de regering-Bush verantwoordelijk is, verklaringen te zoeken die voorbijgaan aan hun afgrijselijkheid. De houdingen die ontkenning in de hand werken, zijn ruwweg in vier categorieën onder te brengen.

Waarschijnlijk de grootste categorie bestaat uit gelovige Atlantici. Zij zouden als eersten krachtig hebben moeten protesteren bij hun belangrijkste bondgenoot wegens diens vernietiging van de alliantie. Zelfs toen de Amerikaanse minister van Defensie Rumsfeld begin 2003 de Europese partners de mantel uitveegde, Europa verdeelde in `oud' en `nieuw' en duidelijker dan ooit het eind van het bondgenootschap onderstreepte, bestond er nog geen Europese consensus over de situatie. Van Atlantici vergen om toe te geven dat het Atlantisch bondgenootschap eenzijdig is opgeheven en dat voor hen, als ze dat willen, de vazalstatus rest, betekent vragen om een levenslang beleden geloof over boord te zetten. Een objectieve beschrijving van het Amerikaanse gedrag is voor hen als een perversie van de natuur, zoals een kaartspel met rode schoppen en zwarte harten.

Traditioneel links vraagt de rest van de wereld `waarom ben je er niet eerder achter gekomen?' Staat er niet geschreven dat er een dag zou komen waarop de kampioen van het kapitalisme zich zou overgeven aan schaamteloos imperialisme? Het is een zienswijze die de breuk in het Amerikaanse gedrag miskent en voorbijgaat aan de historische werkelijkheid, namelijk dat de Verenigde Staten een halve eeuw lang diverse gelegenheden voor imperialistische uitbreiding hebben laten liggen.

Dan is er een minder duidelijk omlijnde en waarschijnlijk veel kleinere groep van tamelijk intelligente mensen, die een aantal van de morele veronderstellingen van Amerika's neoconservatieven hebben overgenomen. Zij zijn onlangs in een euforische stemming geraakt door de gedachte dat wanneer `het goede' zich sterk kan maken, het alle buitenwettige kansen moet aangrijpen om zichzelf te verbreiden.

De vierde categorie, dichtbevolkt door politici en `realistische' denkers, wordt gedreven door tamelijk simpel opportunisme. Twijfels over de uitvoerbaarheid van een Europese benadering maken Europese politici bezorgd dat zij ingehaald zullen worden door de gebeurtenissen en de `realiteit'. Dat zou krachtige oppositie tegen de oude leidsman en beschermer tot een onverstandige optie maken. Daarvan uitgaande hebben zij een omgeving geschapen die ideaal is voor verdeel-en-heers tactieken; het nieuwste voorbeeld van de zelfvervullende negatieve verwachtingen die Europa in de weg zitten.

Vooral in Nederland wordt deze lafhartige houding aangemoedigd door wat men Atlantische Behaaglijkheid zou kunnen noemen. Nederlandse ambtenaren en politici voelen zich doorgaans onbehaaglijk temidden van hun tegenhangers in Parijs en Berlijn, en verkiezen het gezelschap van Amerikaanse functionarissen die zich recentelijk, bij wijze van bonus voor Nederland, uitsloven in zorgvuldig gemikte vleierij.

Als er nog enige twijfel zou hebben bestaan over de transformatie van het bondgenootschap in een feodaalachtig vazalsysteem waarin consultaties zijn vervangen door in Washington uitgevaardigde bevelen, dan zou Tony Blairs behandeling door het Bush-team deze twijfel hebben moeten wegnemen. Maar Atlantici zoals die in Nederland zijn te vinden, geven er de voorkeur aan blind te blijven voor de ingrijpende politieke gevolgen van Europese eenwording.

Blinde media

Europa heeft geen andere keuze dan politiek meer te gaan betekenen, al was het alleen wegens politieke consequenties van de integratie van zijn economische instituties. Onze voormalige voornaamste bondgenoot en beschermer is een last geworden voor dat proces. Washington past al een verdeel-en-heers tactiek toe die de Europese politieke integratie moet ondermijnen. Er is geen reden om aan te nemen dat deze aanpak zal veranderen onder een eventueel presidentschap van J.F. Kerry.

De media zijn een obstakel geworden in het democratische landschap, in Europa bijna in dezelfde mate als in Amerika. Enkele moedige uitzonderingen daargelaten zijn diegenen die zich in een positie bevinden om de burgerij van de Europese staten te informeren, deze verplichting niet nagekomen. Zij zijn moedwillig blind gebleven voor talrijke aanwijzingen over zowel de motieven als het onvermogen van de regering-Bush. Veel van de stukjes informatie die in de afgelopen maanden ernstige twijfel hebben gezaaid over Amerikaanse doelstellingen en competentie, waren al vanaf eind 2001 voorhanden, en zijn in de loop van 2002 bevestigd. Iedereen die keek naar de beschikbare aanwijzingen in Irak en bij VN-inspecteurs en die de dynamiek van de regering-Bush volgde, kon er zeker van zijn dat geen massavernietigingswapens in Irak wie dan ook bedreigden.

Een eerste plicht van de journalist die een geïnformeerd publiek geïnformeerd wil houden, is feiten te scheiden van propaganda. De meesten hebben ons in de nasleep van 11 september ook op dat punt in de steek gelaten. Journalistieke conventies naar Amerikaans model dienen dringend tegen het licht te worden gehouden, waaronder, niet te vergeten, de gebruikelijke houding van geforceerde neutraliteit. `Streven naar evenwicht' is een potsierlijk bureaucratisch beletsel voor eerlijke journalistiek. Bij het ontbreken van vastgestelde en waarneembare feiten om ons aan vast te klampen, verdrinken we in een oceaan van opinies. De zon gaat op in het Oosten, en degenen die volhouden dat zij opgaat in het Westen, hebben ongelijk, en de waarheid ligt hier niet ergens in het midden. De journalistieke prioriteit `toegang' te waarborgen tot hoge functionarissen (in de VS verpersoonlijkt door bijvoorbeeld Woodward, Friedman en Hoagland) betekent de dood van het ambacht. Zonder de welwillendheid waarmee de Amerikaanse pers de regering-Bush het voordeel van de twijfel gunde, en zonder de angst dat kritiek als onvaderlandslievend zou worden beoordeeld, zou het hoogst onwaarschijnlijk zijn geweest dat de regering-Bush de wereld zoveel schade zou hebben kunnen berokkenen.

Een belangrijke les voor Europeanen is de mate waarin de voorbije drie jaar Amerikaanse filters en Amerikaanse dwangvoorstellingen het debat hebben bepaald dat over deze zaken van levensbelang in hun eigen omgeving is gevoerd. De samenstellers van tv-journaals, en ook een stevig aantal commentatoren in kranten, die de snippers nieuws en opinie verzamelen over de frauduleuze `soevereiniteitsoverdracht' die in Irak voor 30 juni op de agenda staat, herinneren aan de honden van Pavlov. Het gemak waarmee Europeanen de notie van `schurkenstaten' hebben overgenomen, en de impliciete veronderstelling dat de Amerikaanse regering daadwerkelijk bezig is de Amerikaanse nationale veiligheid te versterken, laten zien hoezeer Europeanen zich hebben laten leiden door officiële Amerikaanse desinformatie. Schurkenstaten bestaan niet. De regering-Bush roept zelf nieuw terrorisme op. De president geeft dit toe, als hij het bezette Irak het centrale front noemt in zijn oorlog tegen het terrorisme: hij heeft dit front zelf geopend.

Freedom fries

Europeanen zouden zich er ook van bewust moeten worden hoe ontoereikend hun kennis over en inzicht in Amerikaanse binnenlandse ontwikkelingen zijn, vooral wanneer deze mede het lot van de wereld bepalen. De samenstelling van de regering van George W. Bush had, om te beginnen, Europese politici op de rand van hun stoel moeten dwingen, omdat deze nieuwe bewindslieden geen geheim hadden gemaakt van hun unilateralistische plannen. De laaghartige wijze waarop Republikeins Rechts eerder had geprobeerd Clinton het presidentschap te ontnemen, had ernstige Europese twijfels moeten doen rijzen omtrent de binnenlandse stabiliteit van de voornaamste bondgenoot. Weinig Europeanen schijnen zich er momenteel van bewust te zijn dat er zoiets bestaat als de DLC (Democratic Leadership Council), een dominerende groep binnen de Democratische partij die een rechtse koers voor de partij wil handhaven, om de Republikeinen wind uit de zeilen te nemen en meer verkiezingsfondsen te kunnen werven bij het grote bedrijfsleven. Deze instelling heeft de Democratische partij als een betekenisvolle oppositiekracht nagenoeg verlamd, en kan van een mogelijk presidentschap van Kerry een nieuwe last voor Europa maken.

In Europa werd gelachen om de french fries die werden omgedoopt to freedom fries en om de Franse wijn die door de goot werd gespoeld. Maar die vormden het vermakelijke topje van de ijsberg. In werkelijkheid was het een massale campagne, aangemoedigd door de regering-Bush, om onder de Amerikaanse bevolking anti-Europese sentimenten te verspreiden. Deze campagne is bijna ongemerkt voorbijgegaan aan Europese commentatoren die zich wel opwonden over het anti-Amerikanisme in de wereld. Wat inmiddels als een schokkende les zou moeten zijn opgevat, is dat de machtigste man in de wereld kan blijven zitten, ook als overduidelijk is dat hij in een fantasiewereld leeft en de wereld met zijn hersenschimmen in gevaar brengt.

Europese regeringen zouden tot zich moeten laten doordringen dat de uitspraak van Abraham Lincoln uit 1858 dat sommige mensen onder alle omstandigheden kunnen worden beetgenomen, op hen lijkt te slaan. Vanaf het moment dat Bush de eerste oorlog van de 21-ste eeuw aankondigde, hebben zij samen geschiedenis gemaakt met misrekeningen van Amerikaanse stappen en doelstellingen. Dit begon met het Amerikaanse antwoord op de activering van artikel 5 van het NAVO-Handvest. Het zette zich voort met de verzekeringen dat de Verenigde Staten het in Afghanistan tot een goed einde zouden brengen, en het land niet, na het verder verwoest te hebben, zouden overlaten aan een stelletje krijgsheren. Daarna kwam het verscheuren van de Geneefse Conventies. De schertsvertoning in de VN, terwijl er al besloten was tot de invasie van Irak, werd slechts door enkelen als zodanig onderkend. Verder werden de Europeanen aan de lopende band bedrogen door Colin Powell. Misschien misleid door de verkeerd gekozen aanduiding `conservatief', die gewoonlijk wordt gebruikt voor Republikeins Rechts, realiseerden Europese regeringen en commentatoren zich onvoldoende dat zij te maken hadden met gevaarlijke radicalen. Zij konden ook niets beters bedenken dan defensief te reageren op de anti-Europese campagne die de Amerikaanse regering voerde.

Schertsvertoning

De Europese illusies omtrent wat in werkelijkheid Amerikaanse politieke verlakkerij is, zijn opnieuw aan het licht getreden in de discussie over de vraag of de Amerikaanse bezetting van Irak nieuwe steun verdient van Europa en de Verenigde Naties.

[vervolg: pagina 14]

Amerikaanse tovenaarsleerling

[vervolg van pagina 13]

Europese regeringen die menen dat zij het beste moeten maken van een kwalijke situatie, houden zichzelf voor de gek – naar buiten toe althans – met de schertsvertoning van een soevereiniteitsoverdracht in Irak. De uitleg door Atlantici van deze ophanden zijnde nieuwe stappen is op twee punten misleidend: doelstellingen en competentie.

De veronderstelling dat het Bush-team, met de resolutie in de Veiligheidsraad, de Irakezen de gelegenheid zal laten een vrije en democratische natie te bouwen, is schandelijk naïef. De wens is hier de vader van de gedachte, omdat men bang is voor de voorspelde verschrikkingen in het geval de Amerikanen en hun coalition of the willing zouden vertrekken: burgeroorlog, een autoritair islamitisch regime, enzovoort. Waarom zouden we ons het wijdverbreide geloof eigen maken dat dit allemaal erger zou zijn dan een nooit meer eindigende campagne van bomaanslagen en andere verzetsdaden door die segmenten van de bevolking die blijven weigeren een vreemde bezetting te aanvaarden?

Is het niet verschrikkelijk arrogant te menen dat de Irakezen alleen maar kunnen overleven onder buitenlandse voogdij? Waarom zouden we ook maar voor een moment denken dat de Irakezen beter af zijn met een honderd procent `vrije en geprivatiseerde' industrie? Met een Bechtel, Halliburton en oliemaatschappijen die alle rijkdom repatriëren die zij maar aan Irak kunnen onttrekken. Met veertien enorme militaire bases, tot forten versterkte kampementen, verspreid over het gehele land. Of leeft er bij sommige Europese regeringen een verborgen verlangen dat er ook voor hun bedrijven iets te halen valt? Als dat het geval is, wacht Europeanen ontnuchtering. Als je een banaan deelt met een gorilla, zul je hoogstens de schil bemachtigen.

In zijn toespraak tot de natie op 24 mei liet George W. Bush weer eens de bezetting van Irak samensmelten met de strijd tegen Al-Qaeda. ,,We zijn niet uit op deze oorlog tegen het terrorisme, maar dit is nu eenmaal de wereld zoals wij haar aantreffen.'' Europeanen mogen dan allerlei redenen bedenken om de Verenigde Staten bij hun bezetting te helpen, maar deze hulp verschaft legitimiteit aan iets dat, nog afgezien van zijn afschuwelijke gevolgen, berust op een reusachtige leugen.

De tweede misrekening geldt Amerika's competentie. Terwijl Europese regeringen soms toegeven dat de invasie van Irak een slechte zaak was, schijnen ze tegelijkertijd te zijn blijven hangen in de illusie dat de Verenigde Staten als de leider van een verbrede coalition of the willing inderdaad iets goeds kunnen doen en iets kunnen leveren wat tenminste een beetje lijkt op democratie. Dat is een kwestie van geloofsovertuiging. Er is nergens een bewijs te vinden dat de VS hiertoe ooit in staat zijn geweest, zelfs niet in het geval van het naoorlogse Japan waarop Amerikanen zich graag beroemen. `Nation building' behoort niet tot de Amerikaanse grote talenten. Voor de Irakezen valt er niets te winnen aan wat George W. Bush het centrale front in de oorlog tegen het terrorisme noemt.

Naar Europees beleid

Europese regeringen doen er goed aan te bedenken dat er nog steeds een wereld is buiten Irak, een wereld buiten de onmiddellijke toekomst van Amerikaanse verkiezingen. Een wereld die een forum behoeft, alsook geloofwaardige vredebewarende mechanismen. Europese regeringen hebben een morele plicht arrangementen te bevorderen waarmee kan worden voortgezet wat de Verenigde Staten in de jaren '50 zijn begonnen, toen Europa zelf plat op zijn rug lag. Die morele plicht heeft Europa niet in de laatste plaats tegenover zijn vroegere redder en beschermer. Een dergelijk project vergt een nieuwe collectieve diplomatie, om te beginnen met het spreken met een enkelvoudige Europese politieke stem die de wereld met klem verzekert dat Europa niet gelooft in preventieve oorlog en dat het de beginselen van het VN-Handvest opnieuw wil bevestigen.

Dit project kan zich dan verder ontwikkelen naar nieuwe Europese diplomatieke initiatieven in de richting van landen als China, India en Brazilië en andere landen die interesse tonen voor het verduurzamen van de stabiele wereldorde die, vooral dankzij de Verenigde Staten, in de tweede helft van de twintigste eeuw tot stand kwam.

We nemen zonder meer aan dat Europeanen hun hoop blijven vestigen op een vreedzame en welvarende toekomst, en dat een gemeenschap van staten in staat moet zijn een wereld te scheppen met gedeelde en wederzijdse voordelen – wereldomspannende public goods als het ware. Maar zich binden aan dit project brengt de verplichting met zich mee feiten onder ogen te zien en dingen bij hun naam te noemen. Let op dit onplezierige feit: de tovenaarsleerling verhief zich in een politieke cultuur die tegenwoordig niet meer wordt beschermd door mechanismen om excessen te voorkomen. Dat moet langzamerhand wel duidelijk zijn geworden.

Europeanen zouden niet de blik moeten afwenden van de nieuwe bedreigingen die in deze werkelijkheid verscholen liggen. De verschillende facties van Republikeins Rechts, de voornaamste steunpilaar van de tegenwoordige regering, zijn erop uit de VN te vernietigen als een politieke organisatie van betekenis. Een VN-optreden in Irak, dat onvermijdelijk de Amerikaanse bezetting zal helpen te legitimeren en te verlengen, zou makkelijk die Republikeinse wens in vervulling kunnen doen gaan.

Zeker, de VN hebben tekortkomingen, en de corruptie bij sommige onderdelen valt niet te loochenen. Maar het einde van deze organisatie, als een in aanleg onpartijdig forum, zou de vooruitgang die sinds de Tweede Wereldoorlog is geboekt bij het streven naar stabiliteit in de wereld, voor altijd teniet kunnen doen.

Er zijn meer bedreigingen. Het is waarschijnlijk dat de combinatie van de ongecontroleerde en geen rekenschap afleggende krachten van het Amerikaanse militair-industriële complex, en de klaarblijkelijke onmisbaarheid van een externe vijand voor Amerikaans binnenlands politiek gebruik, voor een opvolger zullen zorgen van het kwaad dat Saddam Hoessein belichaamde. In dit verband is het niet overbodig om zich te herinneren dat de neoconservatieven eerder in China de vijand van hun keuze zagen.

In Nederland – een land met een voorbeeldige Atlantische traditie – verdrinkt de verlate en aarzelende discussie over mogelijke terugtrekking uit Irak in argumenten die draaien om begrippen als loyaliteit, het vasthouden aan eenmaal genomen besluiten, en het overeind houden van een façade van goede werken.

Al die argumenten zijn hierboven impliciet behandeld. Maar laten we ook wijzen op de wereld buiten de eigen parochie. Waarom geen steun gegeven aan de talrijke Amerikanen, bijna zeker de meerderheid, die van George W. Bush afwillen? Een Nederlands vertrek uit Irak zou materieel gesproken nauwelijks opvallen, maar het zou een symbolische schok zijn geweest voor het Bush-team die in de hele wereld zou weerklinken – nog meer dan de terugtrekking van Spanje – die iets zou hebben kunnen helpen bij het doorslaan van de electorale balans.

Intussen: Europa, wordt wakker! Laat je niet in de war brengen door waarschuwingen voor aanstaande terroristische aanslagen!

Het Bush-team floreert op de terroristische dreiging. Begin te begrijpen dat George W. Bush en Osama bin Laden belangen delen. Bin Laden komt het goed uit als Bush wordt herkozen. Een nieuw terroristisch schouwspel zal Bush waarschijnlijk in de peilingen omhoog stuwen. De geweldige steun voor de Amerikaanse president kwam voort uit nationale angst. Zonder die angst zou zijn regering nooit haar radicale agenda hebben kunnen uitvoeren.

Dit betekent ook dat wanneer Europa echt de broeinesten van haat en terroristisch geweld in de wereld wil aanpakken, het zonder aarzelen op weg moet gaan naar een eigen politiek. Wat Irak betreft: het wórdt daar geen fiasco en geen strategische nachtmerrie, het ís dat al lang en breed. Met die constatering moet een Europees buitenlands beleid beginnen.

Karel van Wolferen is universiteitshoogleraar Vergelijking van politieke en economische instituties aan de UvA.

Vorig jaar verscheen zijn boek `De ondergang van een wereldorde' over de neo-conservatieve Amerikaanse politiek.

Jan Sampiemon is oud-redacteur en oud-commentator van NRC Handelsblad.

    • Karel van Wolferen
    • J.H. Sampiemon