Eindelijk binnen, in Studio 54

Eind jaren zeventig was Studio 54 dé club van New York, en misschien wel van de wereld. Viktor Frölke gaat nog eens terug.

Nile Rodgers, de man achter befaamde discostampers als `Good Times' (Chic), `We Are Family' (Sister Sledge) en `Let's Dance' (David Bowie) heeft vanavond het podium van Studio 54 voor zichzelf. Tegen de achtergrond van een veelzeggend decorstuk als een trappenhuis naar de hemel – de ruimte doet tegenwoordig dienst als Broadway-theater – speelt hij nog eens zijn feel good-hits van de jaren zeventig voor een benefitavond getiteld `A Night at Studio 54'. Zijn dreadlocks golven lui mee op de maat.

Heeft de avond iets gemeen met de gouden jaren van Studio 54, van 1977-1979, toen Grace Jones, Andy Warhol, Mick Jagger, Elizabeth Taylor, Truman Capote, Divine, gravin Antonia de Portago, Jay McInerney, Dustin Hoffman en vele andere grootheden inhoud gaven aan de meest legendarische clubscene aller tijden? Neen, en niet alleen omdat de eregast van de avond, Larry King, met geen mogelijkheid cool te noemen is. Het is ook niet makkelijk. Steve Rubell, destijds de drijvende kracht achter Studio 54, lukte het zelfs niet om zijn eigen succes te herhalen, ook niet met Palladium, zijn club in de jaren tachtig. En Rubell is inmiddels al veertien jaar dood (hij overleed aan de gevolgen van aids).

WIT PAARD, ZWART PAK

Toch mag het feit dat de 51-jarige Nile Rodgers nu ontspannen met zijn wah-wah-gitaar pakkende riffjes staat te spelen in Studio 54 een kleine triomf heten. Op een winteravond in 1977, toen Studio 54 net een paar maanden open was maar al wereldwijd de aandacht had getrokken met Bianca Jagger die, ter ere van haar verjaardag, op een wit paard de dansvloer opkwam, stonden Nile Rodgers en Bernard Edwards, de Chic-bassist, buiten in de kou. Hoewel ze op de gastenlijst stonden van Grace Jones, en zelf ook al een beetje beroemd waren, gaf Marc Benecke, de meedogenloze Studio-54-portier, geen krimp. Hun tiptop uitdossing – Armani pak, zwart-wit lakschoenen en een reusachtige afro – werd niet hip genoeg bevonden. Om één uur 's nachts, voordat hun tenen bevroren, gingen zij huiswaarts. Woedend waren ze.

Deze anekdote uit de geschiedenis van de disco, zoals opgetekend door Anthony Haden-Guest in diens boek The Last Party. Studio 54, Disco and the Culture of the Night (1997), kreeg nog een staartje. Rodgers en Edwards besloten wat champagne in te slaan, alsmede wat cocaïne, en bij Rodgers thuis (om de hoek bij Studio 54, op de 52ste straat) stoom af te blazen. Zoals gewoonlijk pakten ze na een tijdje hun instrument en begonnen te jammen. De tekst was snel gevonden: ,,Fuck'em!'' en ,,Fuck off!'', gericht tegen Studio 54, dat hen zo schandelijk had behandeld. Het refrein werd uiteindelijk omgedoopt tot het vriendelijkere ,,Freak Out!'' in het nummer `Le Freak', waarvan miljoenen singles werden verkocht.

Studio 54, gelegen op 254 West 54th Street, werd opgericht door Rubell en zijn zakenpartner Ian Schrager op het hoogtepunt van de hedonistische jaren zeventig, vlak voor de intrede van de aids-epidemie. Dat laatste is van belang, omdat Studio 54 een van de eerste clubs was waar homoseksualiteit openlijk werd gevierd en vrijelijk in praktijk gebracht. Dat gebeurde op het eerste balkon, waar de hele nacht door een carrousel draaide van blote lijven en wisselende partners. Mooie jongens, gekleed in glitterbroekjes, raapten glazen, schonken cocktails in en schoven klanten quaaludes (een populaire peppil in die tijd) toe.

DWERGEN EN HARPISTEN

Toch was het was geen strikte gay club: de formule bestond juist uit de totale vrijheid die de gasten er genoten, niet alleen op het gebied van seks, maar ook van geestverruimende middelen en individuele expressie. In Studio, zoals de club destijds kortweg heette, werd alles toegestaan, als het maar fabulous was. Zes auto's uit de jaren vijftig werden binnengereden bij het premièrefeest van Grease met Olivia Newton John, twaalf harpisten luisterden Valentijnsdag op, en niemand was verbaasd als er plotseling een groepje dwergen zat te dineren aan een tafeltje. Daar hadden de party planners voor gezorgd. Studio 54 heeft de basis gelegd voor een heleboel uitgaanstradities, maar vooral voor het thema-feest. Dolly Parton schrok zich dood toen ze zag dat voor haar een hele boerderij was opgetuigd, inclusief kippen, maar ze was dan ook voor de eerste keer in de club.

Rubell was zelf niet hip (Schrager hield zich op de achtergrond). Maar wat Rubell wel had was het talent om hippe mensen te herkennen en aan te trekken. Hij wist ook dat hippe mensen gauw op elkaar raken uitgekeken. Dus deed hij er wat oude adel, intellectuelen en filmsterren bij. En hij was een control freak. Hij wist dat, als het om stijl gaat, elk detail telt.

,,Studio was de beste club die ik ooit heb gezien'', zegt Michael Musto, een uitgaanscolumnist voor de Village Voice. ,,Het was geen hype, het was echt, geloof me. Behalve de spectaculaire entourage, de muziek en de drugs, was het vooral de cocktail van beroemdheden, zakenmensen, bohemiens en beau monde die de club uniek maakte.'' En dat publiek – jong, oud, zwart, wit, rijk, arm, beroemd, anoniem – was tot van alles in staat, want: ,,Iedereen gaf behalve zijn jas ook zijn verstand af bij de ingang.''

Wie een indruk wil krijgen van de fabulosity, zoals Musto het noemt, van die in wezen ultrakorte episode in het New Yorkse nachtleven moet niet 54 bekijken, die slappe, onsamenhangende tienerfilm uit 1998, waarin hooguit Mike Meyers als de charmante, depressieve tiran Steve Rubell uit de verf komt. Saturday Night Fever (bijna in Studio 54 opgenomen, maar het plafond was er te laag) is dan nog geloofwaardiger als periodefilm, net zoals Boogie Nights, al speelt die zich aan de westkust af. Maar eigenlijk heeft nog geen enkele film de sfeer van Studio 54 goed kunnen weergeven. Je moet erbij geweest zijn, lijkt het, om in te kunnen voelen wat er zo bijzonder was aan het feest dat drieëndertig maanden lang vrijwel elke nacht werd georganiseerd, en waarvoor de jet set niet alleen urenlang in de rij stond, maar ook bereid was over de daken te klimmen om binnen te komen. Dat laatste liep tenminste éénmaal slecht af.

Gelukkig, voor ons die er niet bij waren, werd in Studio 54 veel gefotografeerd. Heel veel, want exhibitionisme zat diep ingebakken in de nieuwe disco-cultuur. Bovendien kwam er elke avond wel een celebrity langs. Christopher Walken, Keith Haring, Donna Summer, Vladimir Horowitz, Timothy Leary, Rudolph Nureyev, er komt geen einde aan de lijst. De papparazzi-fotografen speelden een thuiswedstrijd. Daarom is het verrassend dat er maar één goed fotoboek over de club is verschenen, namelijk Fabulous! van Bobby Miller, die eigenlijk mode-ontwerper was.

DRUGS EN FRAUDE

Het beeld dat uit Fabulous! opdoemt, is dat Studio 54 eigenlijk een theater was, of een circus zo je wilt, met dit verschil dat de toeschouwers zelf in de schijnwerpers stonden. Er waren ook vaste spelers. Denk aan Disco Sally, een swingende oma van in de zeventig die naar verluidt overdag advocate was, Rollerena, een travestiet op rolschaatsen met een toverstokje in zijn/haar hand, en de pornoacteurs Marc Stevens, bijgenaamd `10 1/2 ' (inches, wel te verstaan), en Sharon Mitchell die zichzelf voor de gelegenheid hadden ondergedompeld in zilververf. Sommigen gingen een stap te ver. ,,Het ontbrak nooit aan mensen die van mening waren dat hun ontblote geslachtsdelen een bron zouden zijn van verwondering en vreugde'', schrijft Haden-Guest, die er zelf bij was.

Op veertien december 1978 werd het feest ruw verstoord door de belastingdienst, die bewijzen had dat Studio veel te lage inkomsten opgaf. Rubell en Schrager werden gearresteerd maar later weer vrijgelaten. Zou Studio deze narigheid overleven? Aanvankelijk leek het van wel. Het feest ging door. Maar Studio had zijn onschuld verloren. De rot zat erin. Het duurde nog maar een klein jaar voordat de zaak langzaam uiteen viel, aan drugs, fraude en mismanagement. Een artikel dat mogelijke banden tussen Studio en de maffia beschreef, vormde de dolkstoot. Nu moesten Rubell en Schrager de bak in voor dertien maanden. ,,Toen ik eruit kwam had ik nog steeds een kater'', grapte Rubell later, maar het lachen zou hem vergaan.

Ian Schrager wil niet meer over Studio 54 praten. Hij is tegenwoordig CEO van de Morgan's Hotel Group. Zijn hotels, in New York, Beverly Hills en San Fransisco zijn omschreven als designer chic. Omdat Schrager zelf ooit gezegd heeft dat ,,hotels disco's zijn voor volwassen mensen'', en dat in hotels hetzelfde gebeurt als in clubs, namelijk ,,mensen die naar mensen kijken, maar dan zonder dansvloer'', zou je Schragers hotels kunnen interpreteren als een voortzetting van de geest van Studio 54.

Wat krijg je dan? Op het overdekte terras van het Hudson Hotel, Schragers laatste creatie, op West 58th Street, klinkt zachte elektronische muziek. Een fotogeniek paartje ligt te loungen op een vierkant bed met kussens erop. Nimfen gekleed in diep uitgesneden zwarte kimono's brengen mojito's rond aan verveeld kijkende creatieve types. De inbreng van Rubell wordt node gemist.

Leven &cetera gaat de komende werken terug naar plekken die beroemd zijn om de `scene' die er ontstond. Eerdere afleveringen stonden op 29 mei en 5 juni in de krant.