Doop Amalia geheel volgens traditie Oranjes (Gerectificeerd)

In de Grote of St. Jacobskerk in Den Haag wordt vanmorgen prinses Amalia gedoopt. Zo wordt ze dooplid van de Protestantse Kerk in Nederland.

Catharina-Amalia Beatrix Carmen Victoria zijn de doopnamen van de prinses die op 7 december 2003 in Den Haag werd geboren. Deze namen worden vandaag tijdens de doopdienst uitgesproken door ds. Carel ter Linden, gevolgd door de oude woorden: ,,Ik doop u in de Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes.' Dat gebeurt op dezelfde plaats waar deze woorden werden uitgesproken bij de doop van Willem-Alexander op 2 september 1967 en van koningin Beatrix op 12 mei 1938.

De doop is te beschouwen als een kerkelijk initiatie-ritueel. Door de doop wordt de dopeling lid van de kerk, in het geval van Amalia de Protestantse Kerk van Nederland. Bij de doop giet of sprenkelt de predikant water op het hoofdje.

De oorsprong van dit ritueel ligt in de vroeg-christelijke gemeente, in de eerste eeuw na Christus. Het ging daarbij toen vooral om volwassenen die zich tot het christendom bekeerden. Als zij onderwijs hadden gekregen in de christelijke leer, legden ze in de christelijke gemeente getuigenis van hun geloof af, waarna ze bij voorkeur in de nacht voor Pasen, het feest van de opstanding uit de dood gedoopt werden. Die doop vond veelal door onderdompeling plaats. Je ging even kopje onder, om als een nieuw mens uit het water op te staan. De apostel Paulus, die het christendom met succes verspreidde in het Romeinse rijk, schrijft dat mensen die zich laten dopen door kort onder water te verdwijnen, net als Jezus Christus, als het ware even dood zijn. Door weer boven water te komen staat de mens als het ware weer uit de dood op.

Vanaf het begin hadden christenen de behoefte ook hun kinderen te laten delen in het ritueel. Al snel wordt melding gemaakt van personen die gedoopt werden ,,met hun hele huis', dus in familieverband. Kerkvaders als Origines, Tertullianus en Cyprianus praktiseerden de zuigelingendoop.

Naarmate de kinderdoop normaler werd, deed zich ook een accentverschuiving voor in de dooptheologie. Men beklemtoonde steeds meer dat de doop de erfzonde, waarmee elk kind wordt geboren, afwast. Dat vergrootte het gewicht van de doop. Als het kind onverhoopt voor de doop kwam te overlijden, zou het niet in de hemel komen, zo meende men. Op die opvatting gaat ook de zogeheten nooddoop terug, zoals die nog steeds bekend is in de rooms-katholieke kerk. Als een kind kort na de geboorte dreigt te sterven, mag iedereen die nooddoop uitvoeren. Tot voor enkele jaren leerden vroedvrouwen in hun opleiding nog hoe ze de nooddoop dienden te verrichten. Op de vroedvrouwenschool van Amsterdam is dit onderdeel inmiddels uit het curriculum geschrapt.

De protestantse reformatie bracht een relativering in de visie op de doop. Johannes Calvijn (1509-1564) ontkende dat de doop als zodanig de gedoopte redding brengt. Ongedoopt sterven was geen eeuwige ramp. De doop verwijst, volgens de reformatoren, alleen naar het heil, ze is geen essentiële voorwaarde. Het is een teken en een bewijs dat de mens door Christus van zijn zonden gereinigd is. De plechtigheid van de doop is als een plaatje of een grafiek in een boek, die het gesproken woord in een oogopslag duidelijk maakt. Daarom is het in de calvinistische traditie ook gebruikelijk dat de doop in het midden van de gemeente en na de preek plaatsvindt. De kerkgangers worden herinnerd aan hun eigen doop.

Het klassiek-gereformeerde doopformulier, dat dateert uit de zestiende eeuw en lang in de Nederlandse Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken is gebruikt en in sommige kerken nog altijd gelezen wordt ademt de geest van Calvijn. Het geeft onder meer een gedetailleerde uitleg van de door de predikant uitgesproken doopformule, waarvan de bewoordingen teruggaan op een woord van Jezus zelf. Het doopformulier legt uit dat `In de naam des Vaders' wil zeggen, dat God de Vader garandeert dat hij de zorg voor de gedoopte op zich neemt. `In de naam des Zoons' geeft aan dat Christus de zonde afwast en de gedoopte laat delen in zijn opstanding. `In de naam des Heiligen Geestes' duidt op de garantie dat de Geest de gedoopte wil heiligen en blijvend wil overtuigen van de waarde van het beloofde heil. Ds. Ter Linden zal dat oude formulier zeker niet lezen, maar in de dienst wel uitleg geven over de doop.

In de katholieke en orthodoxe traditie is de kinderdoop normaal, binnen het protestantisme is het dopen van kleine kinderen echter geen onomstreden verschijnsel. Ten tijde van de reformatie waren er radicale protestanten die zich tegen de doop van zuigelingen keerden. Zij zagen de doop als een belijdenis van eigen, bewust geloof. Daaraan lag een bepaalde kerkvisie ten grondslag: de gemeente moest heilig zijn; alleen volwassen gelovigen die heilig leefden konden lid zijn. Kinderen dopen werd knoeien met water genoemd. Wie zelf als kind gedoopt was, liet zich op latere leeftijd opnieuw dopen. Daaraan ontleenden ze hun geuzennaam: Wederdopers of Anabaptisten. Vrijzinnige doopgezinden, orthodoxe baptisten en tal van kleinere evangelische groeperingen wijzen de kinderdoop nog steeds categorisch af. Maar ook binnen de traditionele kerken zijn er op dit punt altijd aarzelingen geweest. Karl Barth (1886-1968), de grootste theoloog uit de vorige eeuw, wilde nadrukkelijk in de traditie van het gereformeerde protestantisme staan, maar was tegenstander van de kinderdoop. De Oranjes houden het vandaag echter bij de calvinistische traditie.

Rectificatie

Doop Amalia

Voor het artikel Doop Amalia geheel volgens traditie Oranjes (12 juni, pagina 2) werd gebruikgemaakt van Paul Oskamp en Niek Schuman (red.), De weg van de liturgie (Zoetermeer, 1998), daaruit het hoofdstuk over de doop van prof. dr. M. Barnard; C. van der Wal, Zal men ook de jonge kinderen dopen? (Kampen, 1979); en C. Vonk, De Voorzeide Leer (Schiedam, 1950).