...de krant antwoordt

In deze lezersbrief gaat het om nieuwswaarde, verdachtmaking en het opvoeren van `ingewijden'. De krant wordt te grote haast verweten, gebrek aan evenwicht en onjuiste prioriteitstelling. De bezwaren worden mee ingegeven door de aard van de kwestie. `Oud-premier Lubbers wordt beticht van seksuele intimidatie', zo berichtten we op 18 mei, naar aanleiding van een artikel in de New York Times. Iedereen voelt aan dat het publiceren van zo'n klacht beschadigend kan werken. Als krant moet je dus goed weten wat je doet – is de bron betrouwbaar, de klacht serieus, de kwestie relevant. In dit geval waren alle vragen met ja te beantwoorden. Het ging hier om een publieke persoon, het betrof niet z'n privé-leven maar z'n werk, de bron was betrouwbaar. De VN namen de klacht serieus, er kwam een onderzoek. Er was dus een `kwestie' geboren, die journalistieke aandacht rechtvaardigde. Er was sprake van ophef en opspraak, maar harde feiten waren er niet te krijgen.

Ik ben er voorstander van zo'n kwestie op de nieuwspagina's dan te volgen, maar liefst zo saai mogelijk. Ook als je aanvoelt dat er om je heen een orkaan van grappen, anekdotes, vette knipogen en debatten gaande is over wat mannen mogen, wat Lubbers voor iemand is, waar een schouder ophoudt en de bil begint, etc. Ongetwijfeld maken de columnisten, opinieschrijvers en humoristen in de krant zich op eigen titel wel meester van het onderwerp – maar de nieuwsjournalistiek moet het dan zo droog mogelijk zien te houden, vind ik.

We hebben het verloop van de kwestie gevolgd met berichten op 21 mei (voorpagina) en 29 mei (pagina 3) over een gesprek tussen Kofi Annan en Lubbers en over een brief die Lubbers aan zijn collega's bij de UNHCR schreef. In dit soort kwesties is tijdverloop echter een autonome factor – als er lang niets gebeurt, kun je veilig aannemen dat de crisis zich verdiept. Onze aanvankelijke taxatie op 18 mei was dat het onderzoek in snel tempo zou worden verricht, waarna Lubbers zich intern zou kunnen verweren en er ruim voor Pinksteren conclusies getrokken zouden zijn. Immers, ook werkgevers, zeker van publieke personen, realiseren zich hoe beschadigend publiciteit over verdenkingen is en dat de feiten dus zo snel mogelijk vastgesteld moeten worden. Dat bleek hier echter niet het geval. De journalistieke vraag bekroop ons derhalve waarom dat onderzoek niet opschoot. Lieten de VN Lubbers opzettelijk `bungelen'? Waren daar politieke redenen voor of feitelijke redenen, bijvoorbeeld meer klachten? Waar bleef dat rapport toch?

De brief van Lubbers op 29 mei trof ons als tamelijk persoonlijk en zeer kritisch jegens de VN. Er sprak frustratie uit. Wat aanvankelijk een incident leek in de half-persoonlijke sfeer, begon op een politieke crisis rondom een Nederlandse topman bij de VN te lijken.

Dat was de reden om meer journalistieke tijd en aandacht te geven aan deze kwestie; dat resulteerde in de opening van de krant op 4 juni. De kop erboven vond ik vrij kalm. Het zal in de kiosk niet storm hebben gelopen: `Lubbers aan zet na kritisch VN-rapport'. Daarin werd terecht de nadruk gelegd op de procedure die de VN volgden. Nieuw was dat sprake was van meer aantijgingen. Dat werd naar mijn smaak ook niet ten onrechte in de `vlag' (bovenkop) boven het artikel vermeld.

Ook bleek voor het eerst dat premier Balkenende zich in de kwestie had gemengd door te bellen met Kofi Annan – een duidelijk teken dat de kwestie sterk politiek werd. Dat we het bericht moesten baseren op voor de lezer anoniem gehouden `ingewijden', is altijd zwak, maar soms onvermijdelijk. In dit geval heb ik zelf mee geoordeeld of dat kon of niet. In de termen van het Stijlboek: `een anonymus mag alleen in de krant, indien hij door zijn kennis gekwalificeerd is.' Dat was hier het geval.

    • F.E. Jensma