Angolese diamanten bloeden nog

Met de zogenaamde bloeddiamanten financierden de Angolese rebellen hun strijd tegen de regering. De oorlog is voorbij, de internationale sancties dus ook, maar nu schendt de regering de mensenrechten van tienduizenden diamantgravers. Aan Angolese diamanten kleeft nog altijd bloed.

Het was, van het begin af aan, een ongelijke strijd. Bij het graven naar diamanten verloor de Angolees het steevast van zijn collega uit de Congo. ,,Congolezen hebben toverkracht, weet je'', zegt Sao Pedro Xavier, tot zijn middel in het bruine water, de spijkerbroek van het Amerikaanse merk doorweekt. Geconcentreerd graait hij met zijn handen door de steentjes in zijn zeef, gemaakt van een oude autoradiator. Zijn Angolese landgenoten in de putten verderop beamen zijn stelling met een driftig knikken. De Congolezen hebben toverkracht.

De vallei van de Angolese Cuango-rivier is de vallei van verhalen, en van fortuin. Het geluid van gedempte stemmen en schurende steentjes is er tot diep in de nacht te horen. Garimpo noemen Angolezen het met de hand graven naar diamanten, de gravers garimpeiros. Dankzij de drachtige Cuango is Lunda Norte de diamantrijkste provincie van Angola en misschien wel van heel Afrika. Een garimpeiro met geluk vindt hier stenen van 200, soms 400 karaats, op de diamantmarkt van Antwerpen goed voor miljoenen dollars.

Congolese diamantgravers dwingen dat geluk af, fluisteren de Angolezen: met de hulp van slangen, medicijnmannen en heksen. ,,Het is beter dat de Congolezen nu verdwenen zijn.''

Dat vindt ook de Angolese regering. Leger en politie hebben de afgelopen maanden zeker 80.000 Congolese garimpeiros opgepakt en terug naar huis gestuurd. Het gejuich van de xenofobe Angolese garimpeiros na `Operatie Briljant' was tot ver over de grens te horen.

Het politieoptreden was alles behalve zachtzinnig. Hulporganisaties als Artsen zonder Grenzen spreken over grootschalige mishandeling en vernedering van de Congolese diamantgravers. Hun huizen werden verbrand, hun mannen geslagen, hun vrouwen verkracht. Het is volgens de regering in de hoofdstad Luanda de enige manier om na dertig jaar oorlog de controle over de binnenlandse diamantindustrie terug te winnen.

De diamanten van Lunda Norte golden met name in de laatste tien jaar als de hoofdprijs van de Angolese burgeroorlog die bijna dertig jaar lang onophoudelijk woedde. Een oorlog om olie, diamanten en macht. De rebellenbeweging Unita van Jonas Savimbi veroverde de Cuango-vallei in 1992. Met de diamanten financierde Savimbi zijn strijd tegen de Angolese regering.

Zijn personeel haalde Savimbi uit het buurland Congo-Kinshasa. Dit land, het toenmalige Zaïre, was lange tijd Savimbi's belangrijkste bondgenoot in de oorlog. Congolezen waren handig, vond Savimbi. ,,Ze werken hard en hebben een goed oog voor diamanten'', zegt een Congolese handelaar, zelf steenrijk geworden in de industrie. ,,En als je ze niet meer nodig hebt, zet je ze gewoon de grens over.''

In de overtuiging dat Savimbi de hoofdverantwoordelijke was voor de voortgaande gevechten in Angola na de verkiezingen van 1992, door Savimbi zelf ook ongeldig verklaard, kondigden de Verenigde Naties zes jaar later sancties aan tegen de diamanten van Unita. `Bloeddiamanten' heetten ze vanaf dat moment. Na jarenlange onderhandelingen in de Zuid-Afrikaanse mijnstad Kimberley beloofden producenten, exporteurs en kopers uit meer dan zestig landen de handel in bloeddiamanten tegen te gaan.

Twee jaar geleden kwam de oorlog in Angola plotseling ten einde met de dood van Savimbi. Moegestreden, en bankroet door de sancties, leverde Unita zijn wapens in. De Angolese regering in Luanda presenteert de uitzetting van de Congolezen nu als onvermijdelijk om Angola van de laatste stuiptrekkingen van de oorlog te ontdoen. Eindelijk zijn de Angolese diamanten weer van de Angolezen.

Maar een bezoek aan Lunda Norte leert dat de uitzetting van de buitenlanders het begin is van een campagne om ook de lokale Angolezen van hun enige inkomen te beroven. De innige samenwerking tussen buitenlandse handelaren, particuliere bewakers, politie en Angolese regeringsfunctionarissen zorgt ervoor, soms met geweld, dat de miljoenen diamantendollars niet in de Cuango-vallei blijven hangen. Ondanks het einde van de oorlog worden mensenrechten nog steeds geschonden. Internationale sancties helpen deze keer niet.

In het dorpje Cafunfo heeft de potentiële weelde in het hart van de diamantvallei slechts een vuilnishoop opgeleverd. Kippen, ratten en bewoners doen op de etensresten gelijktijdig hun behoefte. De stortregens van de afgelopen maanden hebben de hoofdweg aangevreten, diepe ravijnen zijn het centrum binnengekropen. Kinderen proberen wat bij te verdienen met het opvullen van de kuilen in de weg. Passerende automobilisten vragen ze tol voor hun geïmproviseerde opvang van de falende gemeentediensten. Cafunfo heeft geen stromend water, geen telefoonlijnen en is voor elektriciteit afhankelijk van een handvol dieselgeneratoren.

Volgens districtsbestuurder Paulo Passos Gonga moet Cafunfo gewoon nog wat geduld hebben. ,,De oorlog is pas twee jaar voorbij.'' Gonga laat zich door Cafunfo rijden in een luxe terreinwagen onder begeleiding van acht zwaarbewapende agenten met zonnebril en gouden ketting. Collega-handelaren noemen hem een van de hoofdrolspelers in de lokale diamanthandel, al ontkent hij dat zelf ten stelligste.

Dr. Antonio Buyamba is een van de leiders van oppositiepartij PRS die zegt op te komen voor de belangen van de lokale bevolking. Hij vreest dat de desinteresse van de regering voor het lot van Lunda Norte structureel is. ,,Sinds de onafhankelijkheid van Portugal in 1975 is er hier geen cent meer geïnvesteerd, er is geen enkel huis gebouwd, geen ziekenhuis, geen school, geen waterpomp. Het geld verdwijnt naar de hoofdstad Luanda en komt nooit meer terug.''

Het enige bewijs van de welvaart waarop Cafunfo is gebouwd, zijn de stenen gebouwtjes met glinsterende spiegels in de vorm van diamanten aan de voorgevel. Het zijn de onderkomens van de diamanthandelaren die de stenen van de garimpeiros opkopen, meestal voor een tiende van de marktwaarde. Ze krijgen hun licenties van het bedrijf Ascorp, die volgens de Angolese wet het alleenrecht heeft op alle stenen die door de garimpeiros worden opgegraven. De Angolese regering heeft een belang van 51 procent in Ascorp. De andere eigenaren zijn Belgisch (Omega) en Israëlisch (Lev Leviev).

Tot een maand geleden waren de kluizen van Ascorp te klein voor de miljoenen dollars die er dagelijks werden verdiend aan de garimpo-diamanten.

Na Operatie Briljant is het agentschap het hoofdkantoor van het chagrijn.

,,De baas slaapt'', zegt de bewaker met het machinegeweer voor de deur.

,,En hij wordt vandaag niet meer wakker.''

Het agentschap is de controle over de diamanten in Lunda Norte de afgelopen jaren kwijtgeraakt, vertelt een van de managers van Ascorp even later, anoniem. ,,Het systeem lekt.'' Handelaren aan de andere kant van de grens boden betere prijzen dan Ascorp. De diamantsmokkel naar met name de Democratische Republiek Congo ondermijnde het monopolie van Ascorp en deed vooral in Luanda pijn.

Daarom heeft de regering de buitenlandse scharrelaars weggestuurd en vervolgens multinationals binnengehaald om datzelfde werk machinaal te doen. Dat is efficiënter en beter te controleren. Over de enige verbindingsweg met de hoofdstad arriveren dagelijks vierwiel aangedreven voertuigen vol gretige nieuwkomers in de markt.

De mijnbouwers komen onder meer uit Brazilië, Zuid-Afrika, Portugal, Rusland en Israël. Zij graven en sorteren de diamanten met hulp van reusachtige machines en vrachtwagens. Dankzij een 50-procentsbelang van het staatsmijnbedrijf Endiama in elk van deze ondernemingen is de regering er van verzekerd dat de diamantinkomsten in Luanda terecht komen. Endiama heeft bovendien het monopolie op de export van alle Angolese diamanten. Het staatsbedrijf is dus producent, koper én exporteur.

Dat de belangen van de bedrijven haaks staan op die van de lokale bevolking bleek eind februari. In Cafunfo braken ernstige rellen uit toen vrachtwagens in het dorp verschenen om de generatoren op te halen die voor het enige licht in het dorp zorgen. De provinciale gouverneur had de motoren verkocht aan een Braziliaans-Angolees mijnbedrijf (SDM) dat verderop de diamantvelden ontgint. De oproerpolitie aarzelde niet toen bewoners zich verzetten: er vielen vijftien doden.

SDM is berucht in de Cuango-vallei door Alfa 5, het particuliere bewakingsbedrijf dat SDM moet beveiligen tegen een invasie van garimpeiros op de drieduizend vierkante meter die de Brazilianen ontginnen. Veel personeelsleden van Alfa 5 waren lid van Executive Outcomes, het beruchte huurlingenbedrijf uit Zuid-Afrika dat tijdens de oorlog aan de zijde van de Angolese regering vocht. Garimpeiros vertellen graag over de methoden van Alfa 5. ,,Je krijgt klappen, als je geluk hebt'', zegt Alex, die vroeg in de ochtend met zeef en schep op pad is gegaan. ,,Ze schieten ook garimpeiros dood.''

Op het hoofdkantoor van SDM, aan het enige stukje weg langs de Cuanga-rivier dat makkelijk te berijden is, haalt het bestuur de schouders op voor de beschuldigingen. ,,We proberen de garimpeiros te ontmoedigen, laat ik het zo zeggen'', grinnikt Robert Jones, directeur mijnoperaties. Buiten op het parkeerterrein staan de pantserwagens die Zuid-Afrikanen vooral kennen van de rellen in de zwarte woonwijken in de tijden van apartheid. ,,Als we niet ingrijpen, dan wordt het hier net als in Cafunfo: een vuilnishoop.'' Volgens Jones kan de regering niet anders dan de provincie te verdelen onder buitenlandse bedrijven. ,,Het is de enige manier om effectieve controle te houden.'' Kunnen de garimpeiros straks bij die bedrijven aan de slag? ,,SDM heeft al een personeelsstop. Wie geld wil verdienen, moet efficiënt zijn.''

Niet de diamanten, maar de olie trekt op dit moment de internationale aandacht. De Angolese regering heeft sinds het einde van de burgeroorlog zware internationale kritiek te verduren gekregen om de omvangrijke corruptie in de olie-industrie. Volgens het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en actiegroepen als Global Witness raakt per jaar zeker 1 miljard dollar van de olie-inkomsten zoek. Luanda lijkt gevoelig voor de druk. De regering is de afgelopen maanden voorzichtig begonnen aan hervormingen.

,,De diamantsector is in deze hele discussie vergeten'', zegt oud-correspondent van de BBC Justin Pearce die deze maand in opdracht van het Zuid-Afrikaanse Institute for Security Studies een rapport publiceerde over Lunda Norte. ,,De diamantindustrie is vele malen ondoorzichtiger dan de olie-industrie. Alle betalingen zijn contant en diamanten zijn makkelijker te smokkelen dan olievaten.''

Dat bleek tijdens de oorlog al: ondanks de internationale sancties ging de handel tussen de Unita-rebellen en sommige regeringsfunctionarissen gewoon door. Pearce vreest dat ondanks de vrede van de afgelopen twee jaar, de gebruiken van de oorlog in de diamantindustrie standhouden. Hij noemt de gewelddadige uitzetting van de Congolese diamantgravers, de meedogenloze methoden van de particuliere beveiligers en het gebrek aan (juridische) bescherming van de lokale diamantgravers. ,,In de ogen van internationale waarnemers kleeft door het einde van de oorlog geen bloed meer aan de Angolese diamanten. Maar de schendingen van de mensenrechten gaan door. Misschien is het tijd om de definitie van de bloeddiamant te herzien.''