Waar blijft het verleidelijk secreet?

Volgende week woensdag wordt op Poetry International de meest prestigieuze prijs voor nieuwe poëzie uitgereikt, de C. Buddingh'-prijs. Vier bundels zijn genomineerd. Soms aardige, soms bekwame poëzie, van helaas onbedorven karakters

Wat is de beste strategie voor een beginnend dichter die zijn loopbaan van meet af aan luister wil bijzetten door zijn debuutbundel bekroond te zien met de meest prestigieuze prijs voor nieuwe poëzie, de C. Buddingh'-prijs? Het belangrijkste advies dat een dergelijke debutant gegeven kan worden, is niet te zijn gedebuteerd in het afgelopen jaar. Zelden zijn er in de Nederlandse poëzie zo veel en zo veel goede poëziedebuten verschenen als in het afgelopen jaar. Het heeft debuten geregend. Met bakken tegelijk werden ze over ons uitgestort. Hierbij vallen twee tendenzen op. Ten eerste vonden podiumtijgers als Erik Jan Harmens, Tjead Bruinja en Tjitske Jansen opeens allemaal hun weg naar het ooit zo door hen geminachte papier. En ze deden dat met verve. Het moest maar eens gaan sneeuwen van Tjitske Jansen is een verfrissende, interessante bundel en Dat het zo hoorde van Bruinja en In menigten van Harmens behoren zonder twijfel tot de allerbeste debuten sinds lange tijd. De twee laatsten combineren, elk op hun eigen manier, een geheel eigen geluid met een hoge mate van technische rijpheid, waarbij beiden, op hun eigen manier, de kunst beheersen van de wrange lichtheid en de wrede glimlach. Zowel Bruinja als Harmens zou de Buddingh'-prijs ten volle verdienen.

Ten tweede was het afgelopen jaar het jaar van de doorbraak van de lekkere wijven. Debuterende dichteressen als Maria Barnas, Jannah Loontjens en Marije Langelaar, van wie je als objectief recensent na gedetailleerde inspectie inderdaad moeilijk kunt volhouden dat het geen lekkere wijven zijn, werden en groupe als hippe hoop voor de hopeloos verstofte poëzie geportretteerd in Vrij Nederland en zelfs in Marie Claire, compleet met suggestieve glamourfoto's met onderschriften als: `Jannah Loontjens draagt een witte linnen blouse met een ingezet plastron met naaldplooitjes (Bogner), met daaronder een creatie van Sand en een grote houten armband van MarcCain.' Dit is een ontwikkeling die wij uiteraard met het grootst mogelijke enthousiasme begroeten. De vraag of deze glamourdichteressen ook goede poëzie maken, is bijkans van secundair belang. Maar de beste van de drie genoemde dichteressen, Marije Langelaar, is wel degelijk erg goed. Haar debuutbundel, De rivier als vlakte, wordt gekenmerkt door een groot beeldend vermogen en een prettige mate van avontuurlijkheid. In een minder rijk jaar zou Langelaar de Buddingh'-prijs moeiteloos in haar zak hebben kunnen steken.

Anne Vegter, Peter Theunynck en Maarten Doorman, die de jury vormen van de C. Buddingh'-prijs 2004, die op 16 juni zal worden uitgereikt tijdens Poetry International, hadden dus een aangenaam onmogelijke taak. Zij hadden de eer vier nominaties te mogen kiezen uit minstens een tiental zeer nomineerbare bundels en één winnaar te bepalen in een veld van minstens drie gedoodverfde winnaars. Groot was dan ook de verbijstering in het land toen de vier nominaties bekend werden gemaakt en toen bleek dat niet alleen Marije Langelaar niet op het lijstje voorkomt, maar dat ook Erik Jan Harmens en Tjead Bruinja zijn gepasseerd. De enige troost die hun geboden kan worden is de eeuwige hoon die de jury ten deel zal vallen en die waarlijk groteske proporties zal aannemen wanneer deze dichters in de loop van de komende jaren tot de top van de Nederlandse poëzie gaan behoren.

Zijn de vier bundels die wel zijn genomineerd dan tenminste nog zo goed dat we enige vorm van begrip kunnen opbrengen voor de jury? Voor één van de nominaties geldt dat zeker. Monarchieën van Joep Kuiper is een wonderlijk, avontuurlijk en rijp debuut dat zich kan meten met het niveau van de gepasseerde favorieten. Hij is een dichter die durft te zingen:

Ik zeg een geur van teken in mijn oog de

teek binnen mijn oog de steen

rondom mijn mond rond rood

maar ik kus mijn oog de grond

in en ik kijk het

Op een manier die iets wegheeft van zoals Lucebert dat vaak doet, dansen de woorden een tango op de muziek van hun eigen klanken, waarbij ze van betekenis verschieten terwijl ze om elkaar heen draaien. Zijn taal heeft vaak een bezwerend effect: `Waar nu nog schepen varen drijft geen water meer // waar vissen zich de lepra trachten af te schudden / waar nu nog schepen varen onder het gewicht van kamers water. // Vanaf heden is zinken slechts onmogelijk en derhalve niet toegestaan.' Andere gedichten zijn opgetrokken uit schijnbaar nonchalante taal: `J. verlangde erg naar jazz, te- / rug, ik zeg J. jazz bestaat alleen // maar in je hoofd en zelfs daar nog niet / eens, dat weet J. wel, tenslotte ook J. heeft // ooit geloofd in schoonheid.' Maar dan beginnen er steeds raardere en beklemmendere dingen te gebeuren: `Langs de muren / druppelt J. naar binnen ook deze keer // zie ik er erg tegen op, tegen alles, tegen / deuren die maar langzaam dicht lijken te // willen slaan, tegen plafond dat stug blijft / hangen in de hitte, tegen stormachtig // zomers sentiment.' En tenslotte bijt het gedicht, dat zo onschuldig leek te beginnen, zichzelf venijnig in de staart en sluit het zich als een claustrofobische mantra: `maar vooral / tegen J. die erg naar jazz verlangen zal.' Monarchieën is een strak gecomponeerde, talige bundel, waarin een dichter aan het werk is die dondersgoed weet hoe hij de lezer moet paaien, strelen en in het gezicht slaan. Deze bundel verdient het om te worden bekroond.

Helaas geldt dat niet voor de andere drie genomineerde bundels. Goed, we moeten de jury nageven dat ze alle drie best aardig zijn, niet slecht, zeker acceptabel en wellicht zelfs nomineerbaar in een minder rijk jaar, maar geen van de drie bundels heeft het niveau dat het zou rechtvaardigen dat minstens een drietal andere bundels buiten de nominaties is gevallen. Wat een verschil tussen de eigenzinnige beeldende kracht van Langelaar, de brille van Bruinja, de grimmigheid van Harmens, de avontuurlijkheid van Kuiper en de brave, onschadelijke gedichtjes van Bas Belleman. Zijn bundel Nu nog volop ventilatoren bevat kundige, keurige verzen die op geen enkel moment hun tanden laten zien. Neem het gedicht `Moslima'. Als je al zo'n titel durft te gebruiken, moet je in elk geval alles op alles zetten om te voorkomen dat je een politiek correct, sociaal-democratisch gedicht schrijft. Belleman begint zijn gedicht zo: `een doek als gevouwen vleugels om haar hoofd / haar gezicht de kleur van ongebleekt postpapier'.

Dit zijn onschuldige observatietjes die in het gedicht terecht zijn gekomen op grond van de misvatting dat waarnemingen waarvan beeldspraak wordt gemaakt, vanzelf poëzie zijn. De dichter had het nog kunnen redden door de associaties met vogels en posterijen productief te maken voor de rest van zijn gedicht, maar dat doet hij niet. Het gedicht eindigt zo: `ze is mij allerminst vijandig ze zit alleen in traditie/familie / op afstand als licht achter een raampje hoog in een toren'. En dan heb je precies wat je niet moet hebben: een braaf gedicht over dat ze er een beetje gek uitziet met haar hoofddoek en donkere huidskleur, maar dat zij daarom nog geen vijand is en dat je moet begrijpen dat ze in een andere traditie is opgegroeid. Bas Belleman is ongetwijfeld een heel erg aardige jongen, dat lees je aan al zijn gedichten af. Helaas is poëzie eerder gebaat bij een laag en verdorven karakter.

Een vergelijkbaar probleem doet zich voor bij Twee zonnen van Maria Barnas. Evenals Belleman schrijft zij kundige, geacheveerde poëzie, maar je mist de bite, de tabasco in je cocktail, de verborgen landmijn in de kinderspeeltuin. `Ik heb een moeder. Ze snijdt brood. / Ze vermenigvuldigt boterhammen.' Je ziet het haar glimlachend bedenken. `Ik hou rekening met veel / toeval en liefde als de rand van een glas / waarop een wijsvinger muziek maakt.' Ook dit is aardig gezegd en het maakt ook beslist een sympathieke indruk.

Hij schenkt witte wolken in mijn glas

blauwe lucht. IJsblokjes rinkelen

in het landschap

en de dag is een tafel voor twee.

Wederom niet slecht. Maar het is allemaal zo lief. Soms word je eindelijk getroffen door de broodnodige dosis valsheid: `Toen ik hoorde dat je ziek was ik bedoel echt ziek / werd ik bevangen door een grof enthousiasme. / Zoals in de botsautootjes met blote benen en los haar.' Kijk, daar hebben we wat. Maar helaas maakt de dichteres het in haar volgende strofe weer allemaal onschadelijk: `Het is niet dat ik je dood wenste, begrijp me goed. / Ik vierde het feest van de onvoorspelbaarheid.' Maria Barnas is ongetwijfeld een heel erg lieve vrouw, dat lees je aan al haar gedichten af. Helaas is poëzie eerder gebaat bij de listen en lagen van een verleidelijk secreet.

De bundel Zoekt vaas van Saskia de Jong, die, naar de auteursfoto te oordelen, ook best in Marie Claire had gekund, is de minst grijpbare van het genomineerde kwartet. Haar poëzie heeft onmiskenbaar iets aangenaam verontrustends:

welnu het schrijnt mij

mij, gevaar der tweemanskabinetten

dat jij beroerd blind van het letten

op details, mijn poeslief negatief is zoek

dus het verraad komt als de bomen

Zij heeft in elk geval de moed, die Barnas en Belleman zo node ontberen, om te verstoren en om de taal zelf te ontregelen. En De Jong heeft ook een vorm van licht macabere humor die de poëzie van Barnas en Belleman danig zou opfleuren: `in krakende sneeuw kun je masturberen, maar niet onhoorbaar / doe het toch liever thuis meneer / het stoort ons avondlijk sterren tellen'. Of in een ander gedicht: `de serveerster zegt: ik ben de serveerster / en probeert dat indirect duidelijk te maken // hij voelt zich niet eenzaam.' Helaas bevat de bundel ook nogal wat mindere gedichten. De Jong heeft de neiging te veel te willen vertrouwen op grote woorden, zoals `tegennatuurlijk geluk', `het uitgerukte hart', `het [...] leed was groot', `de stilte [...] van het sterven', `de dood', `de zonde', `tederheid' en `bereid de harten, bereid / ze met liefde', wat jammer is omdat zij in andere gedichten bewijst dat zij wel degelijk in staat is dergelijke grote gevoelens in taal op te roepen in plaats van simpelweg te benoemen.

Wie moet woensdag aanstaande de C. Buddingh'-prijs winnen? Erik Jan Harmens of Tjead Bruinja. En mocht de jury ondanks alles besluiten om vast te houden aan het gebruik om bij voorkeur geen bundels te bekronen die niet zijn genomineerd, dan zal Joep Kuiper de winnaar zijn.

Maria Barnas: Twee zonnen. De Arbeiderspers, 45 blz. €14,95

Bas Belleman: Nu nog volop ventilatoren. Uitgeverij 521 (Sandwich-reeks nr. 3) 48 blz. €12,50

Saskia de Jong: Zoekt vaas. Bert Bakker, 38 blz. €15,–

Joep Kuiper: Monarchieën. Meulenhoff, 50 blz. €13,50